Artikelen

Op deze pagina staat een aantal atheïstische en skeptische artikelen. Iedereen is vrij artikelen in te sturen, mits ze aan een aantal voorwaarden voldoen. Artikelen kunnen gestuurd worden naar: contact[at]deatheist.nl (vervang [at] door @, anti-spam-maatregel).

Op deze site publiceerde ik een uitgebreid artikel waarin ik betoog dat de geest gereduceerd kan worden tot hersenactiviteit: de geest is wat het brein doet. Op Geloof & Wetenschap verscheen daarvan een kortere en toegankelijkere versie als opinieartikel. VU-filosoof Emanuel Rutten reageerde daar weer op. Ik weet niet of Rutten alleen mijn opiniestuk gelezen heeft of ook de uitgebreidere versie op deze website. Dit is mijn repliek op zijn reactie. 

In 2017 zagen twee boeken van theologen over evolutie en schepping het licht. In En de aarde bracht voort probeert Gijsbert van den Brink orthodox-christelijk geloof te rijmen met moderne wetenschap, vooral de evolutiebiologie en deep time (miljarden jaren kosmologische en geologische geschiedenis). Zijn poging is doorwrocht, maar mijns inziens niet geslaagd, zoals ik hier uitgebreid betoogd heb. Mart-Jan Paul neemt in Oorspronkelijk de schepping in zes dagen en de wereldwijde zondvloed als historisch en concludeert daarmee dat orthodox-christelijk geloof niet te verzoenen valt met de moderne wetenschap, die hij dan ook verwerpt (hier en hier ga ik kort in op zijn boek). In 2018 schreef theoloog Willem Ouweneel ook nog een boek over deze kwestie, Adam, waar ben je?, en kwam tot dezelfde conclusie als Paul.

Deze boeken geven aan dat er grofweg twee kampen zijn in deze discussie. Het ene kamp (o.a. Van den Brink) wil de moderne wetenschap als uitgangspunt nemen en zien in hoeverre het (orthodox-)christelijk geloof hiermee te verzoenen valt. Het resultaat is theïstische evolutie (TE). Het andere kamp (o.a. Paul en Ouweneel) neemt het orthodox-christelijk geloof als uitgangspunt en verwerpt alle wetenschap die hiermee strijdig is: vrijwel de gehele evolutiebiologie, geologie en kosmologie. Dit komt neer op (jonge-aarde-)creationisme. Sommige christenen nemen ergens een middenpositie in, zoals oude-aarde-creationisme (het universum is oud, maar er is geen gemeenschappelijke afstamming). 

Zojuist is nog een boek over deze kwestie verschenen onder de redactie van Den Boer (theoloog), René Fransen (bioloog) en Rik Peels (filosoof) met de titel En God zag dat het goed was (Summum, 2019). In deze bundel gaan 25 (hoofdzakelijk) filosofen en theologen in op de “25 cruciale vragen” over christelijk geloof en evolutie. Deze kwestie blijft blijkbaar de (christelijke) gemoederen bezighouden, wat ook blijkt uit de literatuurlijst achterin, met vele Engelstalige boeken over dezelfde kwestie uit de afgelopen jaren. 

De dieprode kleur van een roos, de bittere smaak van een glas bier, het prachtige kleurenspel van een zonsondergang en de tinteling op je arm van een koel briesje op een warme zomerdag. Dergelijke bewuste ervaringen hebben een bepaald subjectief kwalitatief aspect dat moeilijk te omschrijven valt. Filosofen noemen dergelijke kwalitatieve aspecten van ervaringen qualia, waarvan het enkelvoud quale is. 

Sinds de opkomst van de moderne neurowetenschappen weten we dat de hersenen een belangrijke rol vervullen bij dergelijke ervaringen en al ons andere geestelijk leven (denken, herinneren, voelen enz.). Hoe kan de elektrochemische communicatie tussen neuronen (zenuwcellen) ervoor zorgen dat wij ervaringen hebben met een bepaalde kwaliteit, de qualia? Zorgen ze daar wel voor? Onze intuïtie zegt dat dergelijke ervaringen iets fundamenteels anders zijn dan hersenactiviteit. Hersenactiviteit is iets materieels, te beschrijven met chemische en fysische wetmatigheden, zij het zeer complex. De ervaring lijkt echter niet materieel te zijn, maar iets onstoffelijks, zonder massa, ruimte en vorm. Dit lijkt ook te gelden voor andere mentale toestanden: gedachten hebben geen vorm, gevoelens geen gewicht en een herinnering heeft niet een bepaalde (fysieke) vorm. We lijken hier te maken te hebben met twee fenomenen van een fundamenteel andere orde: mentale toestanden en breinactiviteit. 

Lees verder in de pdf-versie.

Voor gelovigen, zeker in de grote monotheïstische tradities, wordt een bepaald boek (of verzameling boeken) gezien als het Woord van God of Heilige Schrift. Voor joden is dat de Tenach[1]of Hebreeuwse Bijbel (bij christenen bekend als het Oude Testament), voor christenen is dat het Oude en Nieuwe Testament (en voor sommige stromingen ook de deuterocanonieke boeken), en voor moslims is dat de Koran. Over wat het precies betekent dat deze boeken het Woord zijn, lopen de meningen nogal uiteen onder gelovigen. In ieder geval menen zij dat God spreekt door deze boeken en de teksten wat zeggen over God. Ze zijn goddelijk geïnspireerd en daarmee niet zuiver mensenwerk, zoals alle andere boeken. Maar hoe weten we of iets het Woord van God is? Hoe zijn deze heilige geschriften eigenlijk ontstaan? Hoe zijn deze boeken overgeleverd en tot ons gekomen? Veel gelovigen kunnen de grondtalen van deze boeken niet lezen en zijn dus afhankelijk van een vertaling, maar hoe weten zij of die vertaling klopt?

Lees verder in de pdf-versie.

In het schrijven over evolutie, vooral in de polulaire media, worden helaas nogal eens de termen 'darwinisme' en 'evolutionisme' gebruikt. Beide worden dan vaak tegenover 'creationisme' geplaatst. Creationisten gebruiken deze termen ook steevast om hun tegenstanders te duiden. Zelfs eminente evolutiebiologen als Richard Dawkins en Jerry Coyne hebben het in hun populaire werk vaak over darwinism, al is dit in de vakbladen zeldzaam. Met beide termen heb ik moeite en ik gebruik ze daarom ook niet. Hieronder zal ik proberen uit te leggen waarom ik vind dat we van deze termen af moeten.

Door de recente discussie over het islamitische Cornelius Haga Lyceum, waar antiwesterse ideeën onderwezen zouden worden, is de discussie over het bijzonder onderwijs ook weer opgelaaid. Christenen vrezen dat door dergelijke excessen hun geliefde christelijk onderwijs ook onder vuur komt, hetgeen ook gebeurt door critici van al het religieus onderwijs. Artikel 23 van de grondwet staat scholen op dit moment toe onderwijs op een religieuze basis te verzorgen, en dat gefinancierd door de overheid. Al lang wordt hiervan gebruikgemaakt door christenen, maar door de groeiende moslimbevolking ook steeds meer door moslims. Is dit idee van onderwijs vanuit een religieuze basis nog van deze tijd, en dan ook nog gefinancierd met belastinggeld? 

Niemand minder dan de Theoloog des vaderlands, Stefan Paas, heeft de moeite genomen te reageren op mijn stuk (een uitgebreidere versie staat hier op deze site). Dat waardeer ik, ook al meen ik dat zijn tegenwerpingen niet erg overtuigend zijn. 

[Een ingekorte versie van dit artikel is net verschenen als opiniestuk op Geloof & Wetenschap.]

Als atheïst word je er door gelovigen nogal eens van beticht een God te verwerpen waarin ook zij niet geloven. Vooral de 'Nieuwe Atheïsten' als Richard Dawkins, Christopher Hitchens en Sam Harris wordt verweten dat ze hun pijlen richten op een kinderlijke godsvoorstelling. Ook al gelooft een zeer grote meerderheid van de gelovigen in zo'n God, dit is niet de échte God. Daarvoor worden we doorverwezen naar theologen en theologische geschoolde godsdienstfilosofen (die ik hier voor mijn punt bij elkaar reken). 

Door de jaren heen heb ik het nodige werk van heel wat van dergelijke denkers gelezen. Daartoe behoren bekende internationale namen als William Lane Craig, Alvin Plantinga, Richard Swinburne, John Polkinghorne, John Haught [1], Alister McGrath en John Hick. Ook Nederlandse theologen ontbreken niet: Gijsbert van de Brink, Taede Smedes, Palmyre Oomen, Mart-Jan Paul, Willem Ouweneel, Karel Deurloo, Willem Drees, Kornelis Miskotte, Stefan Paas, Rik Peels en uiteraard Harry Kuitert. Zelfs de grote Augustinus heb ik twee keer in de kast staan. Recentelijk is daar David Bentley Hart bij gekomen. Zijn boek The Experience of God (2013) zou elke atheïst moeten lezen volgens The Guardian. Hij belooft niets minder dan uit te leggen wie of wat God nu écht is. Blijkbaar kan hij dat in één boek, terwijl theologen daar al letterlijk vele eeuwen over discussiëren, met allerlei fundamenteel verschillende uitkomsten. Over dat probleem wil ik het hier hebben. 

Augustinus was een zeer belangrijk theoloog en filosoof. Deze kerkvader werd geboren in de Noord-Afrikaanse stad Thagaste in 354 en stierf in Hippo Regius (Noord-Afrika) in 430, waardoor hij ook bekend staat als Sint Augustinus van Hippo. In 386 bekeerde hij zich tot het christendom. Hij schreef zeer veel theologische en filosofische werken, waaronder Confessiones (Belijdenissen, geschreven tussen 397 en 398) en De Civitate Dei (De Stad van God, geschreven tussen 413 en 426). Dit laatste werk is een verdediging van zijn opvatting over het ware christelijk geloof tegenover de heidenen en (in zijn ogen) ketterse opvattingen. Het is een fascinerend werk dat bestaat uit 22 boeken over uiteenlopende onderwerpen, waaronder het ontstaan en de vroege geschiedenis van de wereld, zoals die beschreven worden in het Bijbelboek Genesis. 

Wat Augustinus hierover schrijft, is nog steeds van belang voor de discussie over evolutie en creationisme. Hij wordt niet alleen als een van de grootste theologen ooit gezien, maar leefde ver voor de opkomst van de moderne wetenschap en het moderne creationisme. Creationisten lezen Genesis historisch en proberen dat wetenschappelijk te onderbouwen, in weerwil van ongeveer de complete moderne wetenschap. Zo’n historische lezing wordt ook nog wel eens verward met een letterlijke lezing, als ware het een krantenbericht of wetenschapsboek, maar zelfs de meest verstokte creationist leest de Bijbel niet helemaal letterlijk, zonder oog voor de symboliek, literaire nuances en theologische pointes. Hij meent echter wel dat de Bijbel verhaalt over gebeurtenissen die echt hebben plaatsgevonden in een ver verleden, zoals de schepping in zes dagen enkele duizenden jaren geleden, Adam en Eva als de eerste mensen en voorouders van de mensheid, de wereldwijde zondvloed en de spraakverwarring te Babel. Dit is wat bedoeld wordt met een historische lezing, die goed kan bestaan naast een allegorische lezing. Dit is ook wat Augustinus deed, zoals heel duidelijk blijkt uit wat hij schrijft in De stad van God

Wat zou jou van je eigen ongelijk overtuigen? Dat is een vraag die ik al eindeloos vaak aan creationisten heb gesteld, maar waarop ik nog nooit een redelijk antwoord heb gekregen. Het is ook duidelijk waarom ze daar geen antwoord op kunnen geven: zij zijn ervan overtuigd dat hun opvatting een door God himself gegeven Waarheid (met hoofdletter!) is. Deze historische Waarheid van Genesis, die neerkomt op een schepping in zes dagen een paar duizend jaar geleden en een wereldwijde vloed die alleen Noach en de zijnen met hun ark overleefden, heeft God zelf zo geopenbaard en is daarmee onfeilbaar. Hierdoor zullen ze nooit kunnen accepteren dat de aarde en het universum miljarden jaren oud zijn en mensen en andere dieren gemeenschappelijke voorouders delen, welke wetenschappelijke evidentie (bewijs) ook wordt aangedragen

[Deze repliek is ook verschenen op Geloof & Wetenschap.]

In juni schreef Hans van Eyghen voor Geloof & Wetenschap een opiniestuk waarin hij betoogde dat de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen niet in het geding komt door de naturalistische verklaringen van religie die gegeven worden door het opkomende wetenschapsveld cognitive science of religion (CSR). Daarop schreef ik ook een opiniestuk (een uitgebreidere versie hier) waarin ik het tegenovergestelde betoogde: naturalistische CSR-verklaringen van religie werken debunkend (ondermijnend) voor de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen. Hans van Eyghen schreef daarop een reactie waarin hij hoofdzakelijk twee tegenwerpingen geeft. De eerste is dat een overtuiging niet onredelijk wordt als deze door een naturalistisch mechanisme geproduceerd wordt. Zijn tweede tegenwerping is dat de huidige naturalistische CSR-verklaringen ontoereikend zijn. In mijn oorspronkelijke stuk ga ik al in op deze tegenwerpingen, maar die worden opmerkelijk genoeg door Van Eyghen niet besproken in zijn reactie. Ik wil ze daarom hier nogmaals kort aanstippen en daarmee aangeven waarom Van Eyghens standpunt problematisch blijft. 

[Een ingekorte versie van dit artikel is net verschenen als opiniestuk op Geloof & Wetenschap.]

Rond 1990 is er een nieuw wetenschapsgebied ontstaan dat de jaren daarna een grote bloei heeft doorgemaakt: cognitive science of religion (CSR). In dit vakgebied wordt gezocht naar wetenschappelijke verklaringen voor religie, op de raakvlakken van antropologie, sociologie, psychologie, neurowetenschappen en (evolutie)biologie. Deze bloei heeft tot verschillende hypothesen en deelverklaringen geleid, ofschoon een omvattende theorie momenteel nog ontbreekt (al is een recente aanzet daartoe gegeven door Van Leeuwen en Van Elk (2018)). Wat deze CSR-verklaringen voor religie gemeen hebben, is dat ze naturalistische  verklarende mechanismen geven voor religie, in tegenstelling tot de traditionele bovennatuurlijke verklaringen (bijvoorbeeld: we hebben religie X omdat god Y zich geopenbaard heeft). Een interessante filosofische en theologische vraag die CSR heeft opgeleverd, is wat dergelijke verklaringen betekenen voor de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen, zoals het bestaan van God en diens vermeende openbaring aan de mens. 

De Bijbel is een fascinerende verzameling boeken van verschillende genres, geschreven door verschillende auteurs over een grote tijdspanne. Door gelovigen wordt deze verzameling gezien als het geopenbaarde Woord van God, waarin een min of meer samenhangend beeld gegeven wordt van wat de wereld en de mens is, hoe zij ontstaan zijn en wat hun lot is, wie God is en wat Zijn relatie met de mens is. Voor wie deze gelovige benadering van de Bijbel niet deelt, is deze verzameling boeken al snel een waardeloze en achterhaalde reeks mythen en verhalen. Naar mijn mening is dat zonde. Niet alleen heeft de Bijbel een gigantische invloed gehad op onze culturele ontwikkeling (o.a. literatuur, muziek, architectuur, feestdagen), hij biedt ook een inkijk in een totaal andere wereld. Deze andere wereld staat in tijd, ruimte, taal en wereldbeeld ver van de onze af. Daarnaast kun je ook als ongelovige de literaire kwaliteit van de teksten waarderen, die niet eens allemaal religieus zijn (zoals Hooglied).

Dit pleidooi voor het waarderen van de Bijbel lijkt misschien vreemd voor een atheïst, maar de Bijbel ligt mij na aan het hart, als een eindeloos fascinerende literaire verzameling. Wie meent dat de Bijbel heeft afgedaan omdat het een achterhaald wereldbeeld bevat of de goden niet bestaan, gaat mijns inziens te kort door de bocht. Ook al is deze verzameling niet het Woord van God, het blijft een fascinerend literair werk uit een wereld hier ver vandaan. Vanuit dat oogpunt kunnen we de Bijbel op dezelfde manier waarderen als bijvoorbeeld de Odysseia van Homeros. Niemand beweert dat dit een waardeloos werk is omdat het wetenschappelijk onhoudbaar is of omdat de Griekse goden niet bestaan. In dit artikel wil ik een inkijk geven in de Bijbelse wereld: het wereldbeeld van de schrijvers, hun goden en mythen.

Lees verder in de pdf-versie.

Op de site van Logos heeft Radagast (een pseudoniem) een uitgebreide reactie geschreven op mijn eerdere stuk waarin ik betoog dat de Bijbelse beesten Behemot en Leviathan mythologische wezens zijn en geen dinosauriërs, zoals sommige creationisten beweren, inclusief Radagast. Omdat Radagasts reactie deels een herhaling van zetten is en de onderhavige teksten zelf niet één dwingende lezing hebben, wil ik me hier beperken tot een paar algemene punten.

De Bijbel zit vol raadselachtige passages. De teksten zijn in een cultuur ontstaan die ver van de onze ligt, zowel in tijd, plaats, taal als wereldbeeld. Daar komt nog bij dat vertalen soms lastig is omdat de grammaticale constructies niet duidelijk zijn, we niet weten wat woorden (precies) betekenen of woorden en zinnen dubbelzinnig zijn. Vertalingen lopen dan (sterk) uiteen. Ook verschillen de manuscripten soms en weten we niet wat de oorspronkelijke tekst was. Dit alles maakt dat het gissen blijft naar de betekenis van sommige passages. Een voorbeeld van zo’n problematische passage is de beschrijving van Behemot en Leviathan in het boek Job.

Lees verder in de pdf-versie.

In 2009 schreef ik een artikel waarin ik betoogde dat het christelijk geloof onverenigbaar is met de moderne evolutiebiologie. De poging om die twee te combineren, theïstische evolutie, is dan ook niet houdbaar. De gelovige die zich wil verzoenen met de evolutiebiologie, staat volgens mij dan ook voor een dilemma: óf hij accepteert de evolutiebiologie tout court, maar dan wordt zijn geloof ongeloofwaardig, óf hij houdt vast aan zijn geloof, maar moet daarvoor (delen van) de evolutiebiologie verwerpen. Veel atheïsten zien de eerste optie als meest overtuigend, terwijl veel orthodoxe gelovigen (in verschillende varianten) kiezen voor de laatste optie.

Christenen die hun geloof en de evolutiebiologie serieus willen nemen, willen dus de kool en de geit sparen. Bekende voorbeelden daarvan zijn de biologen Francis Collins (The language of God) en Kenneth Miller (Finding Darwins God), en in ons eigen land René Fransen (Gevormd uit Sterrenstof). Nu is daar een uitgebreide studie van de VU-theoloog Gijsbert van den Brink bijgekomen. In zijn boek En de aarde bracht voort (Boekencentrum, 2017) gaat hij uit van de vraag: wat als evolutie waar is? Wat voor gevolgen heeft dit voor het christelijk geloof en kan men dat nog aanvaarden als evolutiebiologen het bij het juiste eind hebben? Zijn conclusie is dat beide te verenigen zijn. Moet ik mijn dilemma uit 2009 dus herzien?

Lees verder in de pdf-versie.

 

Wie zijn er online?

We hebben 71 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Paul Henri Thiry d'HolbachPaul Henri Thiry d'Holbach, 18e eeuwse schrijver, filosoof en encyclopedist.

Citaat

I am against religion because it teaches us to be satisfied with not understanding the world.

~ Richard Dawkins

Artikelen

Op deze pagina staat een aantal atheïstische en skeptische artikelen. Iedereen is vrij artikelen in te sturen, mits ze aan een aantal voorwaarden voldoen. Artikelen kunnen gestuurd worden naar: contact[at]deatheist.nl (vervang [at] door @, anti-spam-maatregel).

Op deze site publiceerde ik een uitgebreid artikel waarin ik betoog dat de geest gereduceerd kan worden tot hersenactiviteit: de geest is wat het brein doet. Op Geloof & Wetenschap verscheen daarvan een kortere en toegankelijkere versie als opinieartikel. VU-filosoof Emanuel Rutten reageerde daar weer op. Ik weet niet of Rutten alleen mijn opiniestuk gelezen heeft of ook de uitgebreidere versie op deze website. Dit is mijn repliek op zijn reactie. 

In 2017 zagen twee boeken van theologen over evolutie en schepping het licht. In En de aarde bracht voort probeert Gijsbert van den Brink orthodox-christelijk geloof te rijmen met moderne wetenschap, vooral de evolutiebiologie en deep time (miljarden jaren kosmologische en geologische geschiedenis). Zijn poging is doorwrocht, maar mijns inziens niet geslaagd, zoals ik hier uitgebreid betoogd heb. Mart-Jan Paul neemt in Oorspronkelijk de schepping in zes dagen en de wereldwijde zondvloed als historisch en concludeert daarmee dat orthodox-christelijk geloof niet te verzoenen valt met de moderne wetenschap, die hij dan ook verwerpt (hier en hier ga ik kort in op zijn boek). In 2018 schreef theoloog Willem Ouweneel ook nog een boek over deze kwestie, Adam, waar ben je?, en kwam tot dezelfde conclusie als Paul.

Deze boeken geven aan dat er grofweg twee kampen zijn in deze discussie. Het ene kamp (o.a. Van den Brink) wil de moderne wetenschap als uitgangspunt nemen en zien in hoeverre het (orthodox-)christelijk geloof hiermee te verzoenen valt. Het resultaat is theïstische evolutie (TE). Het andere kamp (o.a. Paul en Ouweneel) neemt het orthodox-christelijk geloof als uitgangspunt en verwerpt alle wetenschap die hiermee strijdig is: vrijwel de gehele evolutiebiologie, geologie en kosmologie. Dit komt neer op (jonge-aarde-)creationisme. Sommige christenen nemen ergens een middenpositie in, zoals oude-aarde-creationisme (het universum is oud, maar er is geen gemeenschappelijke afstamming). 

Zojuist is nog een boek over deze kwestie verschenen onder de redactie van Den Boer (theoloog), René Fransen (bioloog) en Rik Peels (filosoof) met de titel En God zag dat het goed was (Summum, 2019). In deze bundel gaan 25 (hoofdzakelijk) filosofen en theologen in op de “25 cruciale vragen” over christelijk geloof en evolutie. Deze kwestie blijft blijkbaar de (christelijke) gemoederen bezighouden, wat ook blijkt uit de literatuurlijst achterin, met vele Engelstalige boeken over dezelfde kwestie uit de afgelopen jaren. 

De dieprode kleur van een roos, de bittere smaak van een glas bier, het prachtige kleurenspel van een zonsondergang en de tinteling op je arm van een koel briesje op een warme zomerdag. Dergelijke bewuste ervaringen hebben een bepaald subjectief kwalitatief aspect dat moeilijk te omschrijven valt. Filosofen noemen dergelijke kwalitatieve aspecten van ervaringen qualia, waarvan het enkelvoud quale is. 

Sinds de opkomst van de moderne neurowetenschappen weten we dat de hersenen een belangrijke rol vervullen bij dergelijke ervaringen en al ons andere geestelijk leven (denken, herinneren, voelen enz.). Hoe kan de elektrochemische communicatie tussen neuronen (zenuwcellen) ervoor zorgen dat wij ervaringen hebben met een bepaalde kwaliteit, de qualia? Zorgen ze daar wel voor? Onze intuïtie zegt dat dergelijke ervaringen iets fundamenteels anders zijn dan hersenactiviteit. Hersenactiviteit is iets materieels, te beschrijven met chemische en fysische wetmatigheden, zij het zeer complex. De ervaring lijkt echter niet materieel te zijn, maar iets onstoffelijks, zonder massa, ruimte en vorm. Dit lijkt ook te gelden voor andere mentale toestanden: gedachten hebben geen vorm, gevoelens geen gewicht en een herinnering heeft niet een bepaalde (fysieke) vorm. We lijken hier te maken te hebben met twee fenomenen van een fundamenteel andere orde: mentale toestanden en breinactiviteit. 

Lees verder in de pdf-versie.

Voor gelovigen, zeker in de grote monotheïstische tradities, wordt een bepaald boek (of verzameling boeken) gezien als het Woord van God of Heilige Schrift. Voor joden is dat de Tenach[1]of Hebreeuwse Bijbel (bij christenen bekend als het Oude Testament), voor christenen is dat het Oude en Nieuwe Testament (en voor sommige stromingen ook de deuterocanonieke boeken), en voor moslims is dat de Koran. Over wat het precies betekent dat deze boeken het Woord zijn, lopen de meningen nogal uiteen onder gelovigen. In ieder geval menen zij dat God spreekt door deze boeken en de teksten wat zeggen over God. Ze zijn goddelijk geïnspireerd en daarmee niet zuiver mensenwerk, zoals alle andere boeken. Maar hoe weten we of iets het Woord van God is? Hoe zijn deze heilige geschriften eigenlijk ontstaan? Hoe zijn deze boeken overgeleverd en tot ons gekomen? Veel gelovigen kunnen de grondtalen van deze boeken niet lezen en zijn dus afhankelijk van een vertaling, maar hoe weten zij of die vertaling klopt?

Lees verder in de pdf-versie.

In het schrijven over evolutie, vooral in de polulaire media, worden helaas nogal eens de termen 'darwinisme' en 'evolutionisme' gebruikt. Beide worden dan vaak tegenover 'creationisme' geplaatst. Creationisten gebruiken deze termen ook steevast om hun tegenstanders te duiden. Zelfs eminente evolutiebiologen als Richard Dawkins en Jerry Coyne hebben het in hun populaire werk vaak over darwinism, al is dit in de vakbladen zeldzaam. Met beide termen heb ik moeite en ik gebruik ze daarom ook niet. Hieronder zal ik proberen uit te leggen waarom ik vind dat we van deze termen af moeten.

Door de recente discussie over het islamitische Cornelius Haga Lyceum, waar antiwesterse ideeën onderwezen zouden worden, is de discussie over het bijzonder onderwijs ook weer opgelaaid. Christenen vrezen dat door dergelijke excessen hun geliefde christelijk onderwijs ook onder vuur komt, hetgeen ook gebeurt door critici van al het religieus onderwijs. Artikel 23 van de grondwet staat scholen op dit moment toe onderwijs op een religieuze basis te verzorgen, en dat gefinancierd door de overheid. Al lang wordt hiervan gebruikgemaakt door christenen, maar door de groeiende moslimbevolking ook steeds meer door moslims. Is dit idee van onderwijs vanuit een religieuze basis nog van deze tijd, en dan ook nog gefinancierd met belastinggeld? 

Niemand minder dan de Theoloog des vaderlands, Stefan Paas, heeft de moeite genomen te reageren op mijn stuk (een uitgebreidere versie staat hier op deze site). Dat waardeer ik, ook al meen ik dat zijn tegenwerpingen niet erg overtuigend zijn. 

[Een ingekorte versie van dit artikel is net verschenen als opiniestuk op Geloof & Wetenschap.]

Als atheïst word je er door gelovigen nogal eens van beticht een God te verwerpen waarin ook zij niet geloven. Vooral de 'Nieuwe Atheïsten' als Richard Dawkins, Christopher Hitchens en Sam Harris wordt verweten dat ze hun pijlen richten op een kinderlijke godsvoorstelling. Ook al gelooft een zeer grote meerderheid van de gelovigen in zo'n God, dit is niet de échte God. Daarvoor worden we doorverwezen naar theologen en theologische geschoolde godsdienstfilosofen (die ik hier voor mijn punt bij elkaar reken). 

Door de jaren heen heb ik het nodige werk van heel wat van dergelijke denkers gelezen. Daartoe behoren bekende internationale namen als William Lane Craig, Alvin Plantinga, Richard Swinburne, John Polkinghorne, John Haught [1], Alister McGrath en John Hick. Ook Nederlandse theologen ontbreken niet: Gijsbert van de Brink, Taede Smedes, Palmyre Oomen, Mart-Jan Paul, Willem Ouweneel, Karel Deurloo, Willem Drees, Kornelis Miskotte, Stefan Paas, Rik Peels en uiteraard Harry Kuitert. Zelfs de grote Augustinus heb ik twee keer in de kast staan. Recentelijk is daar David Bentley Hart bij gekomen. Zijn boek The Experience of God (2013) zou elke atheïst moeten lezen volgens The Guardian. Hij belooft niets minder dan uit te leggen wie of wat God nu écht is. Blijkbaar kan hij dat in één boek, terwijl theologen daar al letterlijk vele eeuwen over discussiëren, met allerlei fundamenteel verschillende uitkomsten. Over dat probleem wil ik het hier hebben. 

Augustinus was een zeer belangrijk theoloog en filosoof. Deze kerkvader werd geboren in de Noord-Afrikaanse stad Thagaste in 354 en stierf in Hippo Regius (Noord-Afrika) in 430, waardoor hij ook bekend staat als Sint Augustinus van Hippo. In 386 bekeerde hij zich tot het christendom. Hij schreef zeer veel theologische en filosofische werken, waaronder Confessiones (Belijdenissen, geschreven tussen 397 en 398) en De Civitate Dei (De Stad van God, geschreven tussen 413 en 426). Dit laatste werk is een verdediging van zijn opvatting over het ware christelijk geloof tegenover de heidenen en (in zijn ogen) ketterse opvattingen. Het is een fascinerend werk dat bestaat uit 22 boeken over uiteenlopende onderwerpen, waaronder het ontstaan en de vroege geschiedenis van de wereld, zoals die beschreven worden in het Bijbelboek Genesis. 

Wat Augustinus hierover schrijft, is nog steeds van belang voor de discussie over evolutie en creationisme. Hij wordt niet alleen als een van de grootste theologen ooit gezien, maar leefde ver voor de opkomst van de moderne wetenschap en het moderne creationisme. Creationisten lezen Genesis historisch en proberen dat wetenschappelijk te onderbouwen, in weerwil van ongeveer de complete moderne wetenschap. Zo’n historische lezing wordt ook nog wel eens verward met een letterlijke lezing, als ware het een krantenbericht of wetenschapsboek, maar zelfs de meest verstokte creationist leest de Bijbel niet helemaal letterlijk, zonder oog voor de symboliek, literaire nuances en theologische pointes. Hij meent echter wel dat de Bijbel verhaalt over gebeurtenissen die echt hebben plaatsgevonden in een ver verleden, zoals de schepping in zes dagen enkele duizenden jaren geleden, Adam en Eva als de eerste mensen en voorouders van de mensheid, de wereldwijde zondvloed en de spraakverwarring te Babel. Dit is wat bedoeld wordt met een historische lezing, die goed kan bestaan naast een allegorische lezing. Dit is ook wat Augustinus deed, zoals heel duidelijk blijkt uit wat hij schrijft in De stad van God

Wat zou jou van je eigen ongelijk overtuigen? Dat is een vraag die ik al eindeloos vaak aan creationisten heb gesteld, maar waarop ik nog nooit een redelijk antwoord heb gekregen. Het is ook duidelijk waarom ze daar geen antwoord op kunnen geven: zij zijn ervan overtuigd dat hun opvatting een door God himself gegeven Waarheid (met hoofdletter!) is. Deze historische Waarheid van Genesis, die neerkomt op een schepping in zes dagen een paar duizend jaar geleden en een wereldwijde vloed die alleen Noach en de zijnen met hun ark overleefden, heeft God zelf zo geopenbaard en is daarmee onfeilbaar. Hierdoor zullen ze nooit kunnen accepteren dat de aarde en het universum miljarden jaren oud zijn en mensen en andere dieren gemeenschappelijke voorouders delen, welke wetenschappelijke evidentie (bewijs) ook wordt aangedragen

[Deze repliek is ook verschenen op Geloof & Wetenschap.]

In juni schreef Hans van Eyghen voor Geloof & Wetenschap een opiniestuk waarin hij betoogde dat de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen niet in het geding komt door de naturalistische verklaringen van religie die gegeven worden door het opkomende wetenschapsveld cognitive science of religion (CSR). Daarop schreef ik ook een opiniestuk (een uitgebreidere versie hier) waarin ik het tegenovergestelde betoogde: naturalistische CSR-verklaringen van religie werken debunkend (ondermijnend) voor de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen. Hans van Eyghen schreef daarop een reactie waarin hij hoofdzakelijk twee tegenwerpingen geeft. De eerste is dat een overtuiging niet onredelijk wordt als deze door een naturalistisch mechanisme geproduceerd wordt. Zijn tweede tegenwerping is dat de huidige naturalistische CSR-verklaringen ontoereikend zijn. In mijn oorspronkelijke stuk ga ik al in op deze tegenwerpingen, maar die worden opmerkelijk genoeg door Van Eyghen niet besproken in zijn reactie. Ik wil ze daarom hier nogmaals kort aanstippen en daarmee aangeven waarom Van Eyghens standpunt problematisch blijft. 

[Een ingekorte versie van dit artikel is net verschenen als opiniestuk op Geloof & Wetenschap.]

Rond 1990 is er een nieuw wetenschapsgebied ontstaan dat de jaren daarna een grote bloei heeft doorgemaakt: cognitive science of religion (CSR). In dit vakgebied wordt gezocht naar wetenschappelijke verklaringen voor religie, op de raakvlakken van antropologie, sociologie, psychologie, neurowetenschappen en (evolutie)biologie. Deze bloei heeft tot verschillende hypothesen en deelverklaringen geleid, ofschoon een omvattende theorie momenteel nog ontbreekt (al is een recente aanzet daartoe gegeven door Van Leeuwen en Van Elk (2018)). Wat deze CSR-verklaringen voor religie gemeen hebben, is dat ze naturalistische  verklarende mechanismen geven voor religie, in tegenstelling tot de traditionele bovennatuurlijke verklaringen (bijvoorbeeld: we hebben religie X omdat god Y zich geopenbaard heeft). Een interessante filosofische en theologische vraag die CSR heeft opgeleverd, is wat dergelijke verklaringen betekenen voor de geloofwaardigheid van religieuze overtuigingen, zoals het bestaan van God en diens vermeende openbaring aan de mens. 

De Bijbel is een fascinerende verzameling boeken van verschillende genres, geschreven door verschillende auteurs over een grote tijdspanne. Door gelovigen wordt deze verzameling gezien als het geopenbaarde Woord van God, waarin een min of meer samenhangend beeld gegeven wordt van wat de wereld en de mens is, hoe zij ontstaan zijn en wat hun lot is, wie God is en wat Zijn relatie met de mens is. Voor wie deze gelovige benadering van de Bijbel niet deelt, is deze verzameling boeken al snel een waardeloze en achterhaalde reeks mythen en verhalen. Naar mijn mening is dat zonde. Niet alleen heeft de Bijbel een gigantische invloed gehad op onze culturele ontwikkeling (o.a. literatuur, muziek, architectuur, feestdagen), hij biedt ook een inkijk in een totaal andere wereld. Deze andere wereld staat in tijd, ruimte, taal en wereldbeeld ver van de onze af. Daarnaast kun je ook als ongelovige de literaire kwaliteit van de teksten waarderen, die niet eens allemaal religieus zijn (zoals Hooglied).

Dit pleidooi voor het waarderen van de Bijbel lijkt misschien vreemd voor een atheïst, maar de Bijbel ligt mij na aan het hart, als een eindeloos fascinerende literaire verzameling. Wie meent dat de Bijbel heeft afgedaan omdat het een achterhaald wereldbeeld bevat of de goden niet bestaan, gaat mijns inziens te kort door de bocht. Ook al is deze verzameling niet het Woord van God, het blijft een fascinerend literair werk uit een wereld hier ver vandaan. Vanuit dat oogpunt kunnen we de Bijbel op dezelfde manier waarderen als bijvoorbeeld de Odysseia van Homeros. Niemand beweert dat dit een waardeloos werk is omdat het wetenschappelijk onhoudbaar is of omdat de Griekse goden niet bestaan. In dit artikel wil ik een inkijk geven in de Bijbelse wereld: het wereldbeeld van de schrijvers, hun goden en mythen.

Lees verder in de pdf-versie.

Op de site van Logos heeft Radagast (een pseudoniem) een uitgebreide reactie geschreven op mijn eerdere stuk waarin ik betoog dat de Bijbelse beesten Behemot en Leviathan mythologische wezens zijn en geen dinosauriërs, zoals sommige creationisten beweren, inclusief Radagast. Omdat Radagasts reactie deels een herhaling van zetten is en de onderhavige teksten zelf niet één dwingende lezing hebben, wil ik me hier beperken tot een paar algemene punten.

De Bijbel zit vol raadselachtige passages. De teksten zijn in een cultuur ontstaan die ver van de onze ligt, zowel in tijd, plaats, taal als wereldbeeld. Daar komt nog bij dat vertalen soms lastig is omdat de grammaticale constructies niet duidelijk zijn, we niet weten wat woorden (precies) betekenen of woorden en zinnen dubbelzinnig zijn. Vertalingen lopen dan (sterk) uiteen. Ook verschillen de manuscripten soms en weten we niet wat de oorspronkelijke tekst was. Dit alles maakt dat het gissen blijft naar de betekenis van sommige passages. Een voorbeeld van zo’n problematische passage is de beschrijving van Behemot en Leviathan in het boek Job.

Lees verder in de pdf-versie.

In 2009 schreef ik een artikel waarin ik betoogde dat het christelijk geloof onverenigbaar is met de moderne evolutiebiologie. De poging om die twee te combineren, theïstische evolutie, is dan ook niet houdbaar. De gelovige die zich wil verzoenen met de evolutiebiologie, staat volgens mij dan ook voor een dilemma: óf hij accepteert de evolutiebiologie tout court, maar dan wordt zijn geloof ongeloofwaardig, óf hij houdt vast aan zijn geloof, maar moet daarvoor (delen van) de evolutiebiologie verwerpen. Veel atheïsten zien de eerste optie als meest overtuigend, terwijl veel orthodoxe gelovigen (in verschillende varianten) kiezen voor de laatste optie.

Christenen die hun geloof en de evolutiebiologie serieus willen nemen, willen dus de kool en de geit sparen. Bekende voorbeelden daarvan zijn de biologen Francis Collins (The language of God) en Kenneth Miller (Finding Darwins God), en in ons eigen land René Fransen (Gevormd uit Sterrenstof). Nu is daar een uitgebreide studie van de VU-theoloog Gijsbert van den Brink bijgekomen. In zijn boek En de aarde bracht voort (Boekencentrum, 2017) gaat hij uit van de vraag: wat als evolutie waar is? Wat voor gevolgen heeft dit voor het christelijk geloof en kan men dat nog aanvaarden als evolutiebiologen het bij het juiste eind hebben? Zijn conclusie is dat beide te verenigen zijn. Moet ik mijn dilemma uit 2009 dus herzien?

Lees verder in de pdf-versie.

Wie zijn er online?

We hebben 71 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Paul Henri Thiry d'HolbachPaul Henri Thiry d'Holbach, 18e eeuwse schrijver, filosoof en encyclopedist.

Citaat

I am against religion because it teaches us to be satisfied with not understanding the world.

~ Richard Dawkins