Afgelopen donderdag [16 augustus] was ik, in Leiden, ergens op een achteraf zaaltje boven een café, getuige van het debat tussen een theïst en een atheïst. Nu is dit niet de eerste keer dat ik een dergelijk debat bijwoon. En ik weet dan inmiddels ook dat zulke academische twisten over het bestaan van God allemaal volgens hetzelfde stramien verlopen. De theïst zegt dat 'het' allemaal niet zo gemakkelijk is en dat wetenschap alles doodslaat met zijn ééndimensionale methode; de atheïst zegt dat wetenschap heel erg redelijk is, dat we veel hebben bereikt, en dat theïsten niet in staat zijn om iets zinnigs over God te zeggen. Ook het debat in Leiden verliep volgens dit stramien: de atheïst (in dit geval niemand minder dan Herman Philipse) riep de theïst ter verantwoording en stelde hem een paar indringende vragen: welke eigenschappen heeft je god? (antwoord: weet niet...); waarom geloof je in deze god, en niet in een van de duizenden andere goden (antwoord: weet niet... ervaring?), enz. En de conclusie kon vrij snel worden getrokken: de theïst vertelt een sprookje. Het geloof in god is betekenisloos.

Ik heb nog nooit een debat meegemaakt tussen een theïst en een atheïst dat anders verliep. Het aardige is overigens dat als dr. Philipse de opponent is van de theïst, dat de aanval dan rechtstreeks en zonder overbodige plichtplegingen wordt ingezet: dat scheelt een hoop overbodig geklets. Iedereen weet toch al vantevoren hoe het afloopt: al vrij snel komt men tot de conclusie dat er over god niets te zeggen valt. En dat pleit niet voor de theïst, en Philipse laat niet na om vooral dit nietszeggende van de goden te benadrukken.

Dit debat is ook kenmerkend voor de vernietigende invloed die de wetenschap op de gelovige westerse mens heeft gehad. Uit en te na is benadrukt dat een wetenschapper eigenlijk niets kan met het geloof in een god (laat staan met de goden zelf). Geloof en wetenschap staan haaks op elkaar, en dus zul je moeten kiezen: het is hom of kuit.

Wat de atheïst verzwijgt is dat zijn eigen positie incoherent is. Hij verzwijgt dit niet met opzet, maar meer uit naïviteit: hij heeft het zelf ook niet in de gaten. Maar de gespletenheid van zijn positie komt duidelijk aan het licht als we hem een paar vragen stellen.

Geachte opponent, beste atheïst: zou het niet zo kunnen zijn dat de wetenschappers zich gewoon vergissen en dat God tóch een immaterieel object is? -Het antwoord van de atheïst zal luiden (klein lachje): iets wat niet materieel is, kan geen invloed op onze wereld hebben. Het antwoord is dus kort en krachtig: nee!

Geachte opponent, beste atheïst: zou het niet zo kunnen zijn dat God een soort onlogisch of misschien zelfs 'buitenlogisch' wezen is? Dat God eigenschappen heeft die voor ons onbegrijpelijk zijn. Dat God in staat is tot daden die voor ons logisch onmogelijk zijn? Zodat wij zijn werking niet met wetenschappelijke middelen kunnen achterhalen?- Het antwoord van de atheïst zal luiden(best een duidelijk klein lachje- ook enig hoofdschudden): het onlogische is het betekenisloze. Als God onlogisch is, dan kun jij hem ook niet kennen. Dan betekent het woord God helemaal niets!

Wat de atheïst niet ziet (en ook de theïst niet), is dat de atheïst hier twee heel verschillende richtingen uit de filosofie naast elkaar gebruikt: hij hangt het empirisme aan, de opvatting dat alles wat bestaat materieel is en moet kunnen worden gemeten, en hij hangt het logicisme aan, de opvatting dat de logische wetten het fundament zijn onder onze werkelijkheid. Merkwaardig, want dit zijn feitelijk twee fundamenten: een materieel en een logisch fundament. Het vreemde is dat de atheïst deze truc argeloos toepast. Een dubbel fundament. Merkwaardig. Hoe werkt dat? Niemand kan een huis bouwen dat op twee fundamenten rust. Eén van de twee moet dus nóg fundamenteler zijn, het kan niet anders. Ligt het logische fundament ten grondslag aan het empirische fundament? Dat is echter moeilijk: logische regels zijn niet materieel, je kunt het bestaan van logische regels niet meten. Er bestaan in de wereld alleen fysische krachten, maar geen logische krachten; er bestaan fysische deeltjes, maar geen logische deeltjes. Hoe kunnen de niet-materiële logische wetten de natuurwetten dan in de plooi houden? -Als de logische wetten echt zo belangrijk zijn en als deze wetten het verschil maken tussen wat mogelijk is en wat niet mogelijk is, dan moet de atheïst ons wel uitleggen hoe deze logische wetten dat doen. Of zijn het toch de engelen die 'snachts, als niemand het ziet, de hele werkelijkheid herschikken totdat alles weer logisch is?

De atheïst weet zelf ook wel dat dit onmogelijk is. Logische wetten zijn niet te vergelijken met natuurwetten: het zijn wetten van een andere orde. Logische wetten kunnen de natuurwetten niet beïnvloeden. Logische wetten zeggen iets over de manier waarop wij denken, en niet over de manier waarop de natuurwetten werkzaam zijn. De grote filosoof Kant noemde zulke wetten 'categorieën' en hij zei dat ze niet in de echte wereld voorkomen maar alleen in onze geest (brein).

Het aardige is dat we sinds Darwin zijn evolutietheorie heeft geformuleerd ook weten hoe deze regels in onze hersenen terecht gekomen zijn: de natuur heeft ze gemaakt opdat wij kunnen overleven op deze aarde. Schijnbaar zijn deze logische regels erg handig voor ons. Dit betekent wel dat we moeten twijfelen aan de betrouwbaarheid van de logische regels. Ze zijn onmisbaar voor ons, dat staat buiten kijf. Zoals we onze ogen nodig hebben om te kunnen zien, hebben we de logische regels nodig om te kunnen nadenken. Maar zoals we met onze ogen bij lange na niet alles kunnen zien wat er bestaat, zo zouden we ook met de logische wetten niet alles hoeven te begrijpen wat er bestaat. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat de werkelijkheid hier en daar een beetje onlogisch is. De natuurkundigen staren zich nu al zo'n kleine honderd jaar blind op de wereld van het allerkleinste: Richard Feynman zegt in zijn lectures dat de kwantummechanica noch door de leek noch door de professionele natuurkundige kan worden begrepen. De kwantummechanica kan niet worden beschreven met onze klassieke logica.

Wat er overblijft voor de atheïst is dus slechts één van de twee wereldbeelden, het empirisme. En de logische wetten zijn, via een evolutionaire omweg, voortgebracht door de natuurwetten. De empirische werkelijkheid is maar zo'n beetje wat ze is: er bestaan geen universele regels en wetten die aan de natuur ten grondslag liggen. Dit heet dat de empirische wereld 'contingent' is. Maar een echte atheïst zal hier niet direct warm of koud van worden. Hij zal bereid zijn om toe te geven dat God dan misschien -desnoods- een onlogisch wezen kan zijn (zoals bijvoorbeeld Nicolaas van Cusa stelde), maar wat wil de theïst hier mee bereiken: immers, als God een onlogisch wezen is, als hij onbegrijpelijke eigenschappen heeft, dan kan de gelovige hem ook niet begrijpen. Over een onlogische God kunnen we niets zinnigs zeggen. Zijn bestaan is nog steeds niet meetbaar of merkbaar. De empirische wereld, zelfs als ze contingent is, vormt een gesloten bastion waarin God niet kan doordringen. Zo hebben prominente atheïsten als Daniël Dennett en Richard Dawkins met verve betoogd dat de evolutietheorie bewijst dat God niet bestaat.

Maar hier heeft de atheïst het alweer bij het verkeerde eind. Wat de evolutietheorie zegt is dat de mens een beperkt wezen is. Het verstand van de mens is gefabriceerd om te kunnen overleven in bepaalde omstandigheden, niet om de waarheid omtrent de gehele werkelijkheid te achterhalen. Een mens moet bepaalde biologische doelen vervullen. En om die klus te klaren heeft de natuur het verstand van de mens voorzien van logische regels (altijd handig om te kijken of een lid uit de groep tegen je liegt: hoe kan hij nu in Italie geweest zijn terwijl hij in Mexico was?), een goede oog-hand coördinatie, een goed begrip van bewegende voorwerpen, enz. Maar zodra de omstandigheden drastisch veranderen is dit verstand onbruikbaar, dan heb je niet zo veel meer aan logische regels en een goede oog-hand coördinatie. De kwantumwereld, hiervoor al genoemd, is een goed voorbeeld van een wereld waarin de omstandigheden in belangrijke mate afwijken van die in onze gewone wereld. We kunnen hieruit maar één conclusie trekken, en dat is dat de werkelijkheid veel ingewikkelder is dan wij kunnen begrijpen.

De evolutietheorie zegt dus dat wij slechts een beperkt gebied van de werkelijkheid kunnen begrijpen: niet de gehele werkelijkheid. Zodra de omstandigheden veranderen, stuiten wij op de grenzen van ons begrip. De empirische wereld is contingent, wij weten werkelijk niet waarom de wereld is zoals zij is en wij weten ook niet hoe groot de werkelijkheid is. De atheïst spreekt gewoon voor zijn beurt: hij praat over een werkelijkheid die door ons niet volledig onderzocht is, en die wij hoogstwaarschijnlijk niet eens volledig kunnen onderzoeken. De atheïst kan niet zeggen dat God niet bestaat. Hij weet het echt niet, en onze empirische kennis bevestigt alleen wat de grote theologen uit alle tijden al zo vaak gezegd hebben: er is meer dan wij kunnen weten. Zou God een wezen met onlogische eigenschappen kunnen zijn? Jazeker, waarom niet. Nu we weten dat onze logische wetten alleen gelden in aardse omstandigheden (maar misschien zelfs daar niet), alwaar wij ze nodig hebben om onze aardse biologische doelen te vervullen, blijkt duidelijk dat we niet over middelen beschikken om op voorhand iets te zeggen over de gehele werkelijkheid.

Nu moeten we waakzaam zijn: de atheïst kan zijn laatste truc uitspelen. Hij zal ons er op wijzen dat wij inmiddels een groot deel van de werkelijkheid beschreven hebben. En het andere deel van de werkelijkheid, het deel dat we nog niet in kaart gebracht hebben, de onbekende werkelijkheid, daar kunnen we van zeggen dat die niet strijdig mag zijn met de bestaande empirische wetenschappen. En dus kunnen we wél, op basis van onze beste empirische theorieën, iets zeggen over de gehele werkelijkheid! -Maar hier maakt de atheïst weer gebruik van het idee dat hij over logische wetten beschikt die voor de gehele werkelijkheid gelden. Wie zegt dat in de werkelijkheid alles samenhangt? Samenhang is een menselijk begrip, een logisch begrip, en geen fysisch begrip. In een contingente werkelijkheid beschikt een atheïst niet over de middelen om de contingentie, de willekeur, mee op te heffen.

Is het mogelijk om wetenschappelijk aan te tonen dat God niet kan bestaan? Welnee, bij lange na niet. De contingente werkelijkheid is zeer groot, onbegrijpelijk en de moeilijkheidsgraad gaat ons ruimschoots boven de pet. Wie zegt dat wij de gehele werkelijkheid in kaart zullen kunnen brengen, die heeft misschien niets begrepen van zijn eigen empirische theorieën. De atheïst die zich zo graag beroept op de empirische wetenschappen is misschien niet altijd even bescheiden- maar de empirische theorieën en ook de empirie zelf, in al hun onbegrijpelijke pracht, nopen ons tot bescheidenheid. Over God is het laatste woord nog niet gesproken.


J.A.Riemersma is een godsdienstfilosoof.
Hij is promovendus bij de vakgroep van
Prof. Dr. Marcel Sarot aan de Universiteit van Utrecht.
Zijn proefschrift heet:
Metafysica, Religie en Empirie (Is er Ruimte voor God?)
250blz.


Adres:
j.a.riemersma
joke smitplein 52
3581PZ Utrecht
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Wie zijn er online?

We hebben 112 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Victor J. StengerVictor J. Stenger, schrijver, emeritus hoogleraar natuurkunde en astronomie aan de Universiteit van Hawaii.

Citaat

My young son asked me what happens after we die. I told him we get buried under a bunch of dirt and worms eat our bodies. I guess I should have told him the truth - that most of us go to Hell and burn eternally - but I didn't want to upset him.

~ Onbekend

Afgelopen donderdag [16 augustus] was ik, in Leiden, ergens op een achteraf zaaltje boven een café, getuige van het debat tussen een theïst en een atheïst. Nu is dit niet de eerste keer dat ik een dergelijk debat bijwoon. En ik weet dan inmiddels ook dat zulke academische twisten over het bestaan van God allemaal volgens hetzelfde stramien verlopen. De theïst zegt dat 'het' allemaal niet zo gemakkelijk is en dat wetenschap alles doodslaat met zijn ééndimensionale methode; de atheïst zegt dat wetenschap heel erg redelijk is, dat we veel hebben bereikt, en dat theïsten niet in staat zijn om iets zinnigs over God te zeggen. Ook het debat in Leiden verliep volgens dit stramien: de atheïst (in dit geval niemand minder dan Herman Philipse) riep de theïst ter verantwoording en stelde hem een paar indringende vragen: welke eigenschappen heeft je god? (antwoord: weet niet...); waarom geloof je in deze god, en niet in een van de duizenden andere goden (antwoord: weet niet... ervaring?), enz. En de conclusie kon vrij snel worden getrokken: de theïst vertelt een sprookje. Het geloof in god is betekenisloos.

Ik heb nog nooit een debat meegemaakt tussen een theïst en een atheïst dat anders verliep. Het aardige is overigens dat als dr. Philipse de opponent is van de theïst, dat de aanval dan rechtstreeks en zonder overbodige plichtplegingen wordt ingezet: dat scheelt een hoop overbodig geklets. Iedereen weet toch al vantevoren hoe het afloopt: al vrij snel komt men tot de conclusie dat er over god niets te zeggen valt. En dat pleit niet voor de theïst, en Philipse laat niet na om vooral dit nietszeggende van de goden te benadrukken.

Dit debat is ook kenmerkend voor de vernietigende invloed die de wetenschap op de gelovige westerse mens heeft gehad. Uit en te na is benadrukt dat een wetenschapper eigenlijk niets kan met het geloof in een god (laat staan met de goden zelf). Geloof en wetenschap staan haaks op elkaar, en dus zul je moeten kiezen: het is hom of kuit.

Wat de atheïst verzwijgt is dat zijn eigen positie incoherent is. Hij verzwijgt dit niet met opzet, maar meer uit naïviteit: hij heeft het zelf ook niet in de gaten. Maar de gespletenheid van zijn positie komt duidelijk aan het licht als we hem een paar vragen stellen.

Geachte opponent, beste atheïst: zou het niet zo kunnen zijn dat de wetenschappers zich gewoon vergissen en dat God tóch een immaterieel object is? -Het antwoord van de atheïst zal luiden (klein lachje): iets wat niet materieel is, kan geen invloed op onze wereld hebben. Het antwoord is dus kort en krachtig: nee!

Geachte opponent, beste atheïst: zou het niet zo kunnen zijn dat God een soort onlogisch of misschien zelfs 'buitenlogisch' wezen is? Dat God eigenschappen heeft die voor ons onbegrijpelijk zijn. Dat God in staat is tot daden die voor ons logisch onmogelijk zijn? Zodat wij zijn werking niet met wetenschappelijke middelen kunnen achterhalen?- Het antwoord van de atheïst zal luiden(best een duidelijk klein lachje- ook enig hoofdschudden): het onlogische is het betekenisloze. Als God onlogisch is, dan kun jij hem ook niet kennen. Dan betekent het woord God helemaal niets!

Wat de atheïst niet ziet (en ook de theïst niet), is dat de atheïst hier twee heel verschillende richtingen uit de filosofie naast elkaar gebruikt: hij hangt het empirisme aan, de opvatting dat alles wat bestaat materieel is en moet kunnen worden gemeten, en hij hangt het logicisme aan, de opvatting dat de logische wetten het fundament zijn onder onze werkelijkheid. Merkwaardig, want dit zijn feitelijk twee fundamenten: een materieel en een logisch fundament. Het vreemde is dat de atheïst deze truc argeloos toepast. Een dubbel fundament. Merkwaardig. Hoe werkt dat? Niemand kan een huis bouwen dat op twee fundamenten rust. Eén van de twee moet dus nóg fundamenteler zijn, het kan niet anders. Ligt het logische fundament ten grondslag aan het empirische fundament? Dat is echter moeilijk: logische regels zijn niet materieel, je kunt het bestaan van logische regels niet meten. Er bestaan in de wereld alleen fysische krachten, maar geen logische krachten; er bestaan fysische deeltjes, maar geen logische deeltjes. Hoe kunnen de niet-materiële logische wetten de natuurwetten dan in de plooi houden? -Als de logische wetten echt zo belangrijk zijn en als deze wetten het verschil maken tussen wat mogelijk is en wat niet mogelijk is, dan moet de atheïst ons wel uitleggen hoe deze logische wetten dat doen. Of zijn het toch de engelen die 'snachts, als niemand het ziet, de hele werkelijkheid herschikken totdat alles weer logisch is?

De atheïst weet zelf ook wel dat dit onmogelijk is. Logische wetten zijn niet te vergelijken met natuurwetten: het zijn wetten van een andere orde. Logische wetten kunnen de natuurwetten niet beïnvloeden. Logische wetten zeggen iets over de manier waarop wij denken, en niet over de manier waarop de natuurwetten werkzaam zijn. De grote filosoof Kant noemde zulke wetten 'categorieën' en hij zei dat ze niet in de echte wereld voorkomen maar alleen in onze geest (brein).

Het aardige is dat we sinds Darwin zijn evolutietheorie heeft geformuleerd ook weten hoe deze regels in onze hersenen terecht gekomen zijn: de natuur heeft ze gemaakt opdat wij kunnen overleven op deze aarde. Schijnbaar zijn deze logische regels erg handig voor ons. Dit betekent wel dat we moeten twijfelen aan de betrouwbaarheid van de logische regels. Ze zijn onmisbaar voor ons, dat staat buiten kijf. Zoals we onze ogen nodig hebben om te kunnen zien, hebben we de logische regels nodig om te kunnen nadenken. Maar zoals we met onze ogen bij lange na niet alles kunnen zien wat er bestaat, zo zouden we ook met de logische wetten niet alles hoeven te begrijpen wat er bestaat. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat de werkelijkheid hier en daar een beetje onlogisch is. De natuurkundigen staren zich nu al zo'n kleine honderd jaar blind op de wereld van het allerkleinste: Richard Feynman zegt in zijn lectures dat de kwantummechanica noch door de leek noch door de professionele natuurkundige kan worden begrepen. De kwantummechanica kan niet worden beschreven met onze klassieke logica.

Wat er overblijft voor de atheïst is dus slechts één van de twee wereldbeelden, het empirisme. En de logische wetten zijn, via een evolutionaire omweg, voortgebracht door de natuurwetten. De empirische werkelijkheid is maar zo'n beetje wat ze is: er bestaan geen universele regels en wetten die aan de natuur ten grondslag liggen. Dit heet dat de empirische wereld 'contingent' is. Maar een echte atheïst zal hier niet direct warm of koud van worden. Hij zal bereid zijn om toe te geven dat God dan misschien -desnoods- een onlogisch wezen kan zijn (zoals bijvoorbeeld Nicolaas van Cusa stelde), maar wat wil de theïst hier mee bereiken: immers, als God een onlogisch wezen is, als hij onbegrijpelijke eigenschappen heeft, dan kan de gelovige hem ook niet begrijpen. Over een onlogische God kunnen we niets zinnigs zeggen. Zijn bestaan is nog steeds niet meetbaar of merkbaar. De empirische wereld, zelfs als ze contingent is, vormt een gesloten bastion waarin God niet kan doordringen. Zo hebben prominente atheïsten als Daniël Dennett en Richard Dawkins met verve betoogd dat de evolutietheorie bewijst dat God niet bestaat.

Maar hier heeft de atheïst het alweer bij het verkeerde eind. Wat de evolutietheorie zegt is dat de mens een beperkt wezen is. Het verstand van de mens is gefabriceerd om te kunnen overleven in bepaalde omstandigheden, niet om de waarheid omtrent de gehele werkelijkheid te achterhalen. Een mens moet bepaalde biologische doelen vervullen. En om die klus te klaren heeft de natuur het verstand van de mens voorzien van logische regels (altijd handig om te kijken of een lid uit de groep tegen je liegt: hoe kan hij nu in Italie geweest zijn terwijl hij in Mexico was?), een goede oog-hand coördinatie, een goed begrip van bewegende voorwerpen, enz. Maar zodra de omstandigheden drastisch veranderen is dit verstand onbruikbaar, dan heb je niet zo veel meer aan logische regels en een goede oog-hand coördinatie. De kwantumwereld, hiervoor al genoemd, is een goed voorbeeld van een wereld waarin de omstandigheden in belangrijke mate afwijken van die in onze gewone wereld. We kunnen hieruit maar één conclusie trekken, en dat is dat de werkelijkheid veel ingewikkelder is dan wij kunnen begrijpen.

De evolutietheorie zegt dus dat wij slechts een beperkt gebied van de werkelijkheid kunnen begrijpen: niet de gehele werkelijkheid. Zodra de omstandigheden veranderen, stuiten wij op de grenzen van ons begrip. De empirische wereld is contingent, wij weten werkelijk niet waarom de wereld is zoals zij is en wij weten ook niet hoe groot de werkelijkheid is. De atheïst spreekt gewoon voor zijn beurt: hij praat over een werkelijkheid die door ons niet volledig onderzocht is, en die wij hoogstwaarschijnlijk niet eens volledig kunnen onderzoeken. De atheïst kan niet zeggen dat God niet bestaat. Hij weet het echt niet, en onze empirische kennis bevestigt alleen wat de grote theologen uit alle tijden al zo vaak gezegd hebben: er is meer dan wij kunnen weten. Zou God een wezen met onlogische eigenschappen kunnen zijn? Jazeker, waarom niet. Nu we weten dat onze logische wetten alleen gelden in aardse omstandigheden (maar misschien zelfs daar niet), alwaar wij ze nodig hebben om onze aardse biologische doelen te vervullen, blijkt duidelijk dat we niet over middelen beschikken om op voorhand iets te zeggen over de gehele werkelijkheid.

Nu moeten we waakzaam zijn: de atheïst kan zijn laatste truc uitspelen. Hij zal ons er op wijzen dat wij inmiddels een groot deel van de werkelijkheid beschreven hebben. En het andere deel van de werkelijkheid, het deel dat we nog niet in kaart gebracht hebben, de onbekende werkelijkheid, daar kunnen we van zeggen dat die niet strijdig mag zijn met de bestaande empirische wetenschappen. En dus kunnen we wél, op basis van onze beste empirische theorieën, iets zeggen over de gehele werkelijkheid! -Maar hier maakt de atheïst weer gebruik van het idee dat hij over logische wetten beschikt die voor de gehele werkelijkheid gelden. Wie zegt dat in de werkelijkheid alles samenhangt? Samenhang is een menselijk begrip, een logisch begrip, en geen fysisch begrip. In een contingente werkelijkheid beschikt een atheïst niet over de middelen om de contingentie, de willekeur, mee op te heffen.

Is het mogelijk om wetenschappelijk aan te tonen dat God niet kan bestaan? Welnee, bij lange na niet. De contingente werkelijkheid is zeer groot, onbegrijpelijk en de moeilijkheidsgraad gaat ons ruimschoots boven de pet. Wie zegt dat wij de gehele werkelijkheid in kaart zullen kunnen brengen, die heeft misschien niets begrepen van zijn eigen empirische theorieën. De atheïst die zich zo graag beroept op de empirische wetenschappen is misschien niet altijd even bescheiden- maar de empirische theorieën en ook de empirie zelf, in al hun onbegrijpelijke pracht, nopen ons tot bescheidenheid. Over God is het laatste woord nog niet gesproken.


J.A.Riemersma is een godsdienstfilosoof.
Hij is promovendus bij de vakgroep van
Prof. Dr. Marcel Sarot aan de Universiteit van Utrecht.
Zijn proefschrift heet:
Metafysica, Religie en Empirie (Is er Ruimte voor God?)
250blz.


Adres:
j.a.riemersma
joke smitplein 52
3581PZ Utrecht
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Wie zijn er online?

We hebben 112 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Victor J. StengerVictor J. Stenger, schrijver, emeritus hoogleraar natuurkunde en astronomie aan de Universiteit van Hawaii.

Citaat

My young son asked me what happens after we die. I told him we get buried under a bunch of dirt and worms eat our bodies. I guess I should have told him the truth - that most of us go to Hell and burn eternally - but I didn't want to upset him.

~ Onbekend