Vandaag heeft de HEER u verzekerd
dat u, zoals hij u heeft beloofd,
zijn volk zult zijn, zijn kostbaar bezit.

~ Deuteronomium 26:18

Pascals weddenschap

In de loop der tijden hebben apologeten (zoals theologen en andere gelovigen) tal van godsbewijzen opgesteld om de ongelovigen te overtuigen van het bestaan van God, en/of het nut van geloven in God. Zo zijn er kosmologische argumenten, teleologische argumenten, ontologische argumenten, argumenten op basis van persoonlijke ervaringen (vermeende openbaringen en wonderen, troost, etc.) en ga zo maar door. Een heel curieus argument om in God te geloven is Pascals weddenschap, geopperd door de Fransman Blaise Pascal, een wiskundige, natuurkundige, christelijk filosoof, theoloog en apologeet (19 juni 1623 - 19 augustus 1662). Volgens sommigen is het woord weddenschap niet helemaal juist, en het wordt daarom ook wel Pascals gok of Pascals wedder genoemd. De Engelse term is 'Pascal's wager'. Het argument van Pascal komt feitelijk neer op het volgende: Als je er op gokt dat God bestaat, en het waar is, is een eeuwigheid van geluk en vreugde je deel. Als blijkt dat God niet bestaat, heb je in ieder geval niets verloren. Als je er daarentegen op gokt dat God niet bestaat, loop je het risico dat je voor eeuwig in de hel moet branden. Het risico van ongeloof is dus vele malen groter dan het risico van het geloof. Het is dus veiliger en daardoor verstandiger te gokken op Gods bestaan, gezien de mogelijke consequenties. Althans volgens de argumentatie van Blaise Pascal.

Pascal gaat hierbij voorbij aan een aantal essentiële zaken. Ten eerste vooronderstelt hij een god, zoals die ons door de Bijbel wordt voorgeschoteld. Hij kiest dus a priori al voor de christelijke God, zonder zich af te vragen hoe het zit met goden uit andere religies. Er zijn in de wereld duizenden (!) godsdiensten, en voor een deel daarvan zijn vergelijkbare weddenschappen op te stellen. Hoe groot is de kans dat Pascal de juiste godsdienst heeft uitgekozen? Men zou met hetzelfde argument ook de Islam kunnen postuleren als een "verstandige keuze".

Een tweede probleem is Pascals aanname dat een ongelovige er gewoon voor kan kiezen om in de christelijke god te geloven. Deze veronderstelling is volstrekt onjuist. Als iemand overtuigd is van de onjuistheid van een bepaalde propositie, is het onmogelijk er desondanks voor te kiezen diezelfde propositie toch maar te gaan geloven. De enige manier om iemand te doen geloven dat de propositie toch juist is, is door overtuigende argumenten aan te dragen, die de juistheid van de propositie bewijzen, of op z'n minst aannemelijk te maken. (Een belangrijke reden waarom gelovigen zo vaak op die "vrije wil" hameren, is, denk ik wel eens, om een eeuwige straf die de ongelovigen te wachten staat, te rechtvaardigen. Ongelovigen "hebben God afgewezen", en dus hebben ze het zelf zo gewild.)

De bovenstaande tegenwerpingen in ogenschouw nemende zou je zeggen dat dit argument, dat al uit 17e eeuw stamt, vandaag de dag niet meer serieus genomen wordt. Het tegendeel is echter waar. Hoe vaak horen we niet zeggen: "Wat als je sterft en je blijkt ongelijk te hebben, en je wordt naar de hel gestuurd? Hoe zou je je dan voelen?" Een dergelijke vraag lijkt verdacht veel op de argumentatie van Pascal, en is met dezelfde objecties van de hand te wijzen. Mensen die op basis van een dergelijk argument "geloven" worden door Multatuli in zijn Gebed van een onwetende terecht als 'laf' afgeschilderd [1]:

Wie 't goede doet
Opdat een God hem loonen zou maakt juist daardoor
Het goede tot iets kwaads, tot handel. En wie boosheid vliedt,
Uit vrees voor de ongenade van dien God, is ... laf!

Een gedachte-experiment: Pascals polis

Terug naar Pascal. Ik wil de lezer graag verleiden tot een gedachte-experiment. Stelt u zich eens voor dat Pascal niet een apologeet uit de 17e eeuw was, maar een 21e-eeuwse atheïst. En stel dat hij niet een argument vóór, maar juist tégen het geloven in de christelijke god wilde opstellen. Het is niet ondenkbaar dat Pascal op een zondagochtend zijn woonkamer inloopt, zijn televisie aanzet, en getrakteerd wordt op een uitzending van een publieke omroep met een evangelische inslag, waarin een Tv-dominee staat te preken: "Gemeente van onze Heer, Jezus Christus, broeders en zusters, wij mogen ons zeker weten van Jezus' hulp." Je ergens zeker van weten. Dat zou een onderwerp zijn dat Pascal erg zou interesseren. Immers, de 17e-eeuwse Pascal was ook geïntrigeerd door de risico's die er kleven aan de keuze van (on)geloof, en met zijn weddenschap opperde hij ook een optie die je zou kunnen omschrijven als 'op safe spelen', 'de veiligste optie kiezen', of 'gaan voor zekerheid'. Het zou niet ondenkbaar zijn dat de 21e-eeuwse atheïstische Pascal uit ons gedachte-experiment, in plaats van met een weddenschap, met een verzekeringspolis op de proppen zou komen. Een zeer voor de hand liggende metafoor eigenlijk. Immers, het gros van de gelovigen wil 'zich zeker weten' van de genade van God, zekerheid dat zij recht hebben op een plekje aan de rechterhand Gods wanneer het hier op aarde allemaal over en uit is. Een klein offer (af en toe een saaie kerkdienst, op zondag niet naar het zwembad, geen seks voor het huwelijk, ...), maar een oneindig grote beloning (het paradijs). In "onze" Pascals metafoor goed te vergelijken met een prima op te brengen premie, maar als het zover komt: een grote uitkering! En de polisvoorwaarden, die staan in de Bijbel. Een zaligmakende verzekeringspolis. Laten we het Pascals polis noemen.

De voorwaarden (1): Zalig door geloof of door goede werken?

Laten we eens een paar voorwaarden uit de zaligmakende polis, genaamd de Bijbel, tegen het licht houden. Als we het over een zaligmakende polis hebben, en dan in het licht van het hiernamaals, moeten we dus op zoek naar die verzen (artikelen) in de Bijbel (polisvoorwaarden), die daar iets over zeggen. Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om zalig te worden? Daar hebben verschillende volgelingen van Jezus een heel verschillende mening over. Als eerste hebben we uiteraard Paulus (aangenomen dat het werkelijk Paulus was die de brieven schreef die volgens de polisvoorwaarden aan hem worden toegeschreven), die bij herhaling betoogt dat men zalig wordt door het geloof, en niet door daden of het strikt volgen van de wet [2][3][4][5][6]. Naast Romeinen [3] wordt o.a. in de volgende boeken deze visie ondersteund: 1 en 2 Timoteüs, Titus, Kolossenzen [4], Efeziërs [5], Handelingen [11], 1 en 2 Korintiërs, Hebreeën, Filemon, Filippenzen, Galaten [6][7], 1 en 2 Tessalonicenzen, het Lucas evangelie en het Marcus evangelie. Ook Maarten Luther (1483-1546) dacht er zo over. De mens kan volgens Luther niet gered worden door goede werken. Alleen het geloof (sola fide) kan de mens redden van het hellevuur.

Jacobus, de broeder van Jezus, is het echter helemaal niet met Paulus eens. Geloof alleen is onvoldoende. Hij legt sterk de nadruk op goede daden en het stipt volgen van de wetten die God heeft gegeven [8][9][10], inclusief zaken als besnijdenis [11]. Over het al dan niet volgen van de wetten van Mozes wordt door de Jacobus en Paulus een ware machtsstrijd gevoerd [2]. In een schrijven aan de Filippenzen gaat Paulus zelfs zover hij de aanhangers van Jacobus voor 'honden' uitmaakt [12].

Een derde visie op het al dan niet zalig worden, wordt gegeven in het boek Openbaring. Volgens dit boek stond aan het begin der tijden al vast [13] wie er naar de hemel gaan. Dat zijn namelijk de 'verzegelden', 144000 maagdelijke mannen, 12000 uit iedere stam van Israël [14]. Met de rest van de mensen loopt het slecht af [15]. Volgens de Jehova's getuigen zijn trouwens deze 'verzegelden' geen maagdelijke Joodse mannen, maar zijn het 144000 Jehova's getuigen [16]. Omdat van tevoren al vaststaat wie dat zijn (predestinatie), maakt het dus niet uit hoe je hebt geleefd: gelovig of niet gelovig, zondig of niet zondig. Je hebt er zelf geen enkele invloed op.

De polisvoorwaarden geven dus niet duidelijk aan wanneer de verzekeraar tot uitkering overgaat. Moet men geloven, goede werken verrichten, of het maar lekker op z'n beloop laten?

De voorwaarden (2): gaan zonden over van geslacht op geslacht?

En dan hebben we het eigenlijk alleen nog maar gehad over het eigen gedrag. Hoe gaat de verzekeraar om met sancties voor kinderen naar aanleiding van eventuele misdragingen door de ouders? M.a.w., kan men worden gestraft voor de fouten van voorouders? Heeft het zin om je te bekeren als je ouders goddeloze heidenen waren? De Bijbel leert ons dat God een jaloerse god is die het nageslacht van zondaars straft voor de zonden van hun ouders, tot in het derde en vierde geslacht, maar zijn liefde bewijst aan de kinderen van hen die God liefhebben, tot in het duizendste geslacht [17][18]. Dergelijke polisvoorwaarden zijn nogal ambigu. Kunnen mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen het schudden als ik op de sabbat wat hout sprokkel? En wat als overgrootvader wel een godvrezend man was? Mogen mijn achterkleinkinderen dan toch, ondanks mijn hout sprokkelen op de voorgeschreven rustdag, de liefde van God verwachten vanwege mijn overgrootvaders onbesproken gedrag?

De profeet Ezechiël, die in de 6e eeuw voor Chr. (tijdens koning Jechonja (= Jojachin)) in ballingschap is, leert ons dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen daden [19]. Maar Jeremia daarentegen, een profeet die niet in ballingschap is maar in Juda zit, beticht de profeten in ballingschap, waaronder ook Ezechiël zich bevindt, ervan valse profeten te zijn [20]. Hij doet dit in zijn brief aan de ballingen [21] waarin hij tegen deze 'valse profeten' tekeer gaat. Wellicht zijn zelfs beide profeten (Jeremia en Ezechiël) vals, want van beide heren zijn heel duidelijke profetieën niet uitgekomen. Jeremia voorspelt tot tweemaal toe over koning Jojakim dat deze met een ezelsbegrafenis zal worden begraven [22][23], maar elders lezen we dat Jojakim op een nette manier bij zijn vaderen te ruste ging [24]. Ezechiël profeteert eerst op hoogdravende toon dat Nebukadnezar de stad Tyrus zal innemen [25], maar even later blijkt die voorspelling niet uit te komen, en draait het hele "feest" op een groot fiasco uit [26].

Wie zullen we geloven? Mozes [17][18], Ezechiël [19] of Jeremia? Lijden of profiteren we door de daden van onze voorouders, of zijn we verantwoordelijk voor onze eigen daden? Uit de polisvoorwaarden is niet eenduidig af te leiden hoe het zit.

De voorwaarden (3): is wat God ons ingeeft altijd goed?

Laten we aannemen dat Ezechiël gelijk heeft, en dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen daden [19]. De moderne mens krijgt hier denk ik een gevoel van rechtvaardigheid bij (ook al zijn er tientallen Bijbelverzen die Ezechiël tegenspreken [27]). Hoe weten we zeker dat we niet onder invloed verkeren van een macht die groter is dan wij, nl. God zelf? Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen dat God halsstarrig maakt wie hij wil [28]. Als God zelf ons halsstarrig maakt, hoe kunnen wij stervelingen dan ooit weerstand bieden aan zijn almacht? En dat de gevolgen daarvan dramatisch kunnen zijn lezen we in Exodus, waar God de Farao bij herhaling halsstarrig maakt [29]. Vervolgens wordt het hele Egyptische volk aan de ene plaag na de andere blootgesteld. Dit heeft talloze doden tot gevolg (neem alleen al die onschuldige eerstgeborenen die sterven), en dat allemaal omdat God nota bene hoogstpersoonlijk de Farao halsstarrig maakt. Als God dat nou niet had gedaan, had de Farao de Israëlieten misschien wel zonder slag of stoot laten gaan, en was de Egyptenaren heel wat leed bespaard gebleven. We zullen het nooit precies weten, maar de invloed van God op de Farao zal zeker geen goed gedaan hebben.

Wanneer het volk Israël in de woestijn ronddoolt, gedraagt het zich niet altijd even goed. Voor straf moeten ze er veertig jaar blijven, lezen we in Exodus. Wat Exodus niet verhaalt, is dat het God in hoogst eigen persoon is die het volk in die tijd gruwelijke wetten voorschrijft, waardoor zij vreselijke zonden begaan. We weten dit dankzij Ezechiël, die schrijft: "[God] gaf hen zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. [...] hun eerstgeborenen liet [God] hen offeren [...]" [30]. Dat is even slikken voor de aanhangers van de goddelijke-bevelstheorie van de moraal.

En als dan het volk Israël eenmaal het land Kanaän binnentrekt, na 40 jaar doelloos ronddwalen, kwakkels en manna eten, en slechte wetten van God op te volgen in de woestijn, volgt wederom een staaltje machtsvertoon van God over de ruggen van de onschuldige, argeloze autochtone bewoners van dat land. De volkeren die het land Kanaän bevolken, totdat ze door de Israëlieten onder leiding van Jozua worden uitgeroeid, worden nl. evenals de Farao door God zelf weerbarstig gemaakt, zodat Jozua een geldig excuus heeft voor de genocide die hij daar (in opdracht van God) pleegt [31]. Mogen we hieruit afleiden dat wanneer God deze autochtonen niet weerbarstig had gemaakt, er aanzienlijk wat minder bloed vergoten zou zijn? Dat lijkt wel heel aannemelijk, want waarom zou de Bijbel expliciet vermelden dat God de volkeren weerbarstig maakte?

En wat te denken van het verhaal in Samuël 24, waar David in opdracht van God [32] een volkstelling laat houden? Je zou zeggen dat David Gods wil uitvoert, en dus goed bezig is. Niet is minder waar. Het bleek een vooropgezet plan te zijn van God om David te kunnen straffen. De ziener Gad komt David het slechte nieuws brengen, en David mag uit drie vreselijke straffen kiezen: zeven jaar hongersnood, drie maanden op de vlucht voor een belager, of drie dagen de pest in het land. David kan niet kiezen, en God laat zeventigduizend onschuldigen (!) aan de pest overlijden [33]. Blijkbaar is wat God je ingeeft niet altijd goed. Had David ongehoorzaam moeten zijn en geen volkstelling moeten houden? Of zou God dan nog toorniger zijn geworden? Misschien waren er dan nog meer onschuldigen aan een gruwelijke ziekte overleden. Opvallend is het overigens dat een ander Bijbelboek, 1 Kronieken, een heel andere weergave van het verhaal geeft, waarin de schrijver doet voorkomen dat het niet God, maar Satan is die David aanzet tot de volkstelling [34]. Een niet geringe contradictie in onze polisvoorwaarden! De boosheid van God die volgt op deze volkstelling lijkt nu wel iets redelijker omdat David deed wat slecht is in de ogen van God, nl. doen wat de Satan hem ingaf. Toch moet wel gezegd worden dat het niet erg rechtvaardig is - althans volgens onze hedendaagse westerse normen - om zeventigduizend onschuldigen te straffen voor de fout van iemand anders [35]. Overigens redeneren sommige gelovigen die graag vasthouden aan de letterlijke waarheid van de Bijbel de contradictie tussen deze twee verhalen [32][34] weg door te stellen dat God Satan gebruikte om David aan te zetten tot een volkstelling. Het probleem hiermee is dat God weer even onbetrouwbaar wordt als in de versie van Samuël.

Een heel bijzonder - en zeer verwarrend - verhaal vinden we in 1 Koningen (en in 2 Kronieken) over koning Achab van Israël. Achab heeft koning Josafat van Juda uitgenodigd, en wil met hem gezamenlijk ten strijde trekken tegen de stad Ramot in Gilead. Ze vragen maar liefst vierhonderd profeten van Achab om raad. Deze geven aan dat het een goed plan is. 'Trek op. God zal u de stad in handen geven,' zeggen ze. Josafat vraagt of er niet nog één extra profeet is die ze om advies kunnen vragen. Waarom vierhonderd niet genoeg is, maar vierhonderdeneen wel, wordt niet vermeld. De profeet Micha wordt opgetrommeld. De bode die Micha gaat halen vertelt hem dat alle vierhonderd andere profeten positief waren over de plannen van Achab, en hoopt dat Micha dezelfde boodschap zal geven. Maar Micha zegt: 'Zowaar de HEER leeft, ik zeg alleen wat mijn God mij in de mond legt.' Desalniettemin geeft ook Micha een positief advies aan Achab. Maar dan gebeurt er iets vreemds. Ondanks dat Achab blij zou moeten zijn met dit advies, dringt hij er bij Micha (waar ie een hekel aan blijkt te hebben vanwege zijn voor Achab ongunstige profetieën uit het verleden) op aan om toch vooral de waarheid te spreken. Opmerkelijk. Ruikt Achab onraad? En dan verandert Micha om onduidelijke redenen ineens zijn boodschap, wat ook opmerkelijk is want hij beweert toch louter te zeggen wat God hem in de mond legt. Is God ineens van mening veranderd, of is Micha een amateur? Vervolgens komt Micha met een verhaal dat God in de hemel een vergadering heeft gehouden met 'alle hemelse machten' (geesten) met als doel het overhalen van Achab om ten strijde te trekken tegen Ramot, Achabs ondergang tegemoet. De uitkomst van die vergadering zou een listig plan zijn waarin zou zijn opgenomen dat een van deze geesten met goedkeuring van God de profeten van Achab leugens zou influisteren met als resultaat dat zij Achab overhalen ten strijde te trekken. Hierdoor zal Achab zijn ondergang tegemoet gaan, wat het doel van het plan is. [36] We zien hier dat God en zijn hemelse machten opzettelijk leugens verspreiden! Wat nog het meest opmerkelijke is, is dat Micha zelf ook eerst een leugen vertelt, maar direct daarna honderdentachtig graden draait, en nota bene Gods listige plannetje aan Achab verraadt. Die trekt zich daar vervolgens niets van aan - wat wil je ook met zo'n warrige profetie - en trekt ten strijde, zijn ondergang tegemoet. Deze ondergang staat ook nog eens haaks op wat God eerder in 1 Koningen aan Elia zegt, nl. dat Achab geen onheil zal overkomen [37], maar dat terzijde.

In Jesaja zien we ook dat God de profeet de opdracht geeft het volk doof, blind en ongevoelig te maken, zodat ze niet zullen luisteren en 'geen herstel vinden' [38]. Johannes verwijst hier later naar terug wanneer Jezus ondanks zijn wonderen niet wordt geloofd, waaruit we mogen opmaken dat God zelf er voor zorgde dat Jezus wonderen niet werden geloofd [39]. En ook het evangelie van Marcus leert ons over de doelbewuste misleiding door van de menigte door Jezus, die in raadselen spreekt 'opdat ze scherp zien, maar geen inzicht krijgen, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen' [40].

Door God ingeplante halsstarrigheid (de Egyptische Farao), slechte wetten en regels (tijdens de 40 jaar durende zwerftocht van de Israëlieten door de woestijn), opdrachten van God die later bestraft worden (David), leugenachtige profeten, gebroken beloftes, en de doelbewuste misleiding door God en Jezus, nota bene om te voorkomen dat de mensen zich zouden bekeren, maken onze polis er niet degelijker op. Hoe moeten we dit rijmen met de aan God en Jezus toegedichte eigenschappen zoals liefde en rechtvaardigheid? En hoe weten we dat de polisvoorwaarden zelf geen misleiding zijn?

De voorwaarden (4): komt onze polis ooit tot uitkering?

Om tot uitkering te komen moet er minimaal een hiernamaals bestaan. In relatie tot dat hiernamaals staat er een zorgelijke passage in onze polisvoorwaarden. De schrijver van Prediker vertelt ons iets waar de meeste gelovigen het koud van zullen krijgen [41]. In Prediker 3 stelt hij dat mensen niet meer zijn dan dieren, en hen hetzelfde lot treft. Dood is dood. Over en uit. Niks hiernamaals. Nada. Alles is uit stof ontstaan, en alles keert weder tot stof. Alles is leegte. Tja, zo bezien zal onze polis nimmer tot uitkering komen ben ik bang. Of moeten we de schrijver van Prediker zien als zo'n profeet die een leugen kreeg ingefluisterd? Een halsstarrige? God maakt immers halsstarrig wie hij wil [28]?

Had onze polis inmiddels al niet heel lang geleden tot uitkering moeten komen? Immers, was het niet Jezus zelf die ons nota bene verzekerde dat het koninkrijk Gods zou komen voordat de generatie waartegen hij sprak zou zijn verdwenen [42]? Die generatie is toch allang voorbij? Hoe zit het eigenlijk met de houdbaarheidsdatum van onze polis? Ik weet wel dat Petrus heeft betoogd dat Jezus nog niet is teruggekeerd omdat hij 'geduld met ons heeft' en 'wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat' [43], maar dat steekt toch een beetje flauwtjes af bij de zekerheid waarmee Jezus hoogst persoonlijk zijn stellige beweringen doet, die bij herhaling in de evangeliën terugkomen [42]. Bovendien komen er door langer te wachten steeds meer mensen bij, en wordt de taak om iedereen te bekeren alsmaar groter, en moeilijker te volbrengen. Je zou veronderstellen dat hoe eerder Jezus terugkeert, des te meer de schade (in de vorm van verloren zielen) beperkt blijft. We zijn inmiddels met ruim zes miljard zielen op de planeet Aarde, waarvan een fors deel niet tot het christelijke geloof is bekeerd. En het aantal zielen groeit harder dan ooit.

De verzekeringsagent raadplegen?

We kunnen er niet omheen: of de polisvoorwaarden rammelen aan alle kanten, of ze zijn zo ingewikkeld dat we een verzekeringsagent, een specialist, nodig hebben om ze aan ons uit te leggen. Laten we positief blijven en van het laatste uitgaan: het is een fantastische verzekering, maar we hebben gewoon een specialist nodig die ons wegwijs maakt in de polisvoorwaarden. Rechtstreeks contact met de verzekeraar via e-mail, fax, telefoon, via de post of fysiek langsgaan bij het hoofdkantoor is niet mogelijk, dus op naar zo'n specialist dan maar! Maar wie? Een katholieke pastoor? Een protestantse dominee? Van welke kerk? Om de lezer een indruk te geven, in Nederland alleen al wemelt het van de protestantse kerkelijke organisaties [44]. De grootste is de Protestantse Kerk Nederland (PKN, een fusie tussen de Gereformeerde Kerken, (een deel van) de Nederlandse Hervormde Kerk en de Lutherse Kerk). Niet iedereen was blij met die fusie, waardoor weer nieuwe kerken ontstonden, zoals de Hersteld Hervormde Kerk (die trouwens zelf vinden dat ze de Nederlandse Hervormde Kerk voortzetten) en de Voortgezette Gereformeerde Kerk. Verder hebben we de Christelijk Gereformeerde Kerk (die tussen de gemeenten onderling ook nog bepaalde twistpunten hebben, waardoor dominees uit de ene gemeente beslist niet kunnen preken in een andere gemeente), Pinksterbewegingen, de migrantenkerk, evangelische groeperingen, baptisten, de Doopsgezinde Broederschap, de Apostolische Gemeente, de Zevende-dags-Adventisten, het Leger des Heils, de Mormonen (ten slotte ook een christelijke stroming), en een hele grote groep bevindelijke gemeenten. Bevindelijken menen een persoonlijke relatie met God te hebben. Die persoonlijke relatie beschermt ze echter niet tegen allerlei verschillen van mening en twistpunten, waardoor ze helaas niet samen door één kerkdeur kunnen. Dit levert dan ook weer een bonte verzameling kerkgemeenschappen op: De Gereformeerde Gemeente, Gereformeerde Gemeente in Nederland, Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland, Oude Gereformeerde Gemeenten, hervormd-gereformeerden, Nederduits-hervormden, oud-hervormden, presbyteriaal-hervormden, vrij-gereformeerden, vrij-hervormden, vrij-oud-gereformeerden, vrijzinnig hervormden, confessioneel hervormden, de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken, Nederlands Gereformeerde Kerken (een afsplitsing van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken), evangelische verenigingen en diverse huiskamerclubjes. In Zeeland hebben we zelfs al een atheïstische dominee, in de persoon van Klaas Hendrikse. Dus als we in ons eigen landje een specialist zoeken om ons de polisvoorwaarden uit te leggen, kunnen we te kust en te keur gaan bij een groot aantal geestelijken die er allemaal een andere mening op na houden. Als al die meningen evenveel waard zijn, moeten we tot de conclusie komen dat ze allemaal niets waard zijn, ben ik bang.

Conclusie

De lezer zal het met me eens zijn dat het een verstandige gewoonte is om bij het afsluiten van een verzekering altijd eerst de polisvoorwaarden goed door te nemen, en de kleine lettertjes te lezen, alvorens ergens een handtekening onder te zetten. Toch blijken er veel verzekerden te zijn die hun polisvoorwaarden niet grondig hebben gelezen, en er klakkeloos vanuit gaan dat het allemaal wel los loopt. Dit zijn in het gedachte-experiment, de polis van Pascal, de gelovigen die hun Bijbel niet goed hebben gelezen, of er ondanks de bedenkelijke voorwaarden, de tegenstrijdigheden, en de twistpunten tussen de theologen, blindelings op vertrouwen dat het allemaal wel goed zal komen. Maar komt het wel goed? De Pascal in ons gedachte-experiment zou u ongetwijfeld adviseren niet met deze verzekeraar in zee te gaan. Met zulke gammele, tegenstrijdige en onduidelijke voorwaarden is het maar zeer de vraag of we met een bonafide verzekeraar van doen hebben. En bovendien blijken alle specialisten er een eigen interpretatie op na te houden, zonder dat er ook maar een spoortje van enige regie vanuit het hoofdkantoor te ontdekken valt.

Een aantal tegenwerpingen door de godsdienstigen zijn natuurlijk eenvoudig te voorspellen. "Je moet je niet zo richten op de negatieve dingen. Je moet uitgaan van het positieve. God is liefde." Maar doen we dat ook met onze autoverzekering of onze opstalverzekering? Nee, dan pluizen we de voorwaarden goed uit als we verstandig zijn. En als er onduidelijkheden zijn, is het verstandig die eerst goed uit te zoeken. Tegen de tijd dat er moet worden uitgekeerd valt er niet meer over de polisvoorwaarde te discussiëren. We zouden er naar het oordeel van de verzekeraar wel eens helemaal naast kunnen zitten met onze interpretaties van de polisvoorwaarden. En wees nou eerlijk: met elkaar tegensprekende voorwaarden is er altijd een voorwaarde waaraan de verzekerde niet heeft voldaan, en dan staat die lang verwachte uitkering toch maar mooi op de tocht.

"Geloof is niet te vergelijken met een verzekering," is een andere te verwachten tegenwerping. Prima, maar geloof is ook niet te vergelijken met een weddenschap zoals die van de 17e-eeuwse Pascal, en hoe vaak wordt die - in onze 21e eeuw nota bene - niet nog steeds gebruikt als "argument" om een ongelovige te overtuigen? Als de vergelijking met een verzekering niet opgaat, dan gaat de vergelijking met een weddenschap zeker niet op. Eerlijk is eerlijk.

Noten

  1. Multatuli, Bloemlezing, G.L. Funke, Amsterdam 1876, p.269-271
  2. Randel McCraw Helms, The Bible Against Itself, 2006, ISBN 0-9655047-5-1, p.115-151
  3. Romeinen 3:28
    Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven.
  4. Kolossenzen 2:16-23
    Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus. Laat u niet veroordelen door mensen die opgaan in zelfvernedering en engelenverering, zich verdiepen in visioenen of zich laten voorstaan op eigen bedenksels. Zulke mensen richten zich niet naar het hoofd, van waaruit God het hele lichaam, door gewrichtsbanden en pezen ondersteund en bijeengehouden, doet groeien. Als u met Christus dood bent voor de machten van de wereld, waarom laat u zich dan geboden opleggen alsof u nog in de wereld leeft? 'Raak dit niet aan, proef dat niet, blijf daarvan af' – het zijn menselijke voorschriften en principes over zaken die door het gebruik vergaan. Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.
  5. Efeziërs 2:8-9
    Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan.
  6. Galaten 1:21
    Ik verwerp Gods genade niet; als we door de wet rechtvaardig zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn.
  7. Galaten 2:15-16
    Hoewel wij Joden van geboorte zijn en geen zondaars uit andere volken, weten we dat niemand als rechtvaardige wordt aangenomen door de wet na te leven, maar door het geloof in Jezus Christus. Ook wij zijn tot geloof in Christus Jezus gekomen om daardoor, en niet door de wet, rechtvaardig te worden, want niemand wordt rechtvaardig door de wet na te leven.
  8. Jacobus 2:24-26
    U ziet dus dat iemand rechtvaardig wordt verklaard om wat hij doet, en niet alleen om zijn geloof. Werd niet ook Rachab, de hoer, rechtvaardig verklaard om wat ze deed, toen ze de verkenners ontving en langs een andere weg liet vertrekken? Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is ook geloof zonder daden dood.
  9. Jacobus 1:26-27
    Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite. Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven.
  10. Jacobus 2:19-22
    U gelooft dat God de enige is? Daar doet u goed aan. Maar de demonen geloven dat ook, en ze sidderen. Dwaas, wilt u het bewijs dat geloof zonder daden nutteloos is? Werd het onze voorvader Abraham niet als een rechtvaardige daad toegerekend dat hij zijn zoon Isaak op het altaar wilde offeren? U ziet hoe geloof en handelen daar hand in hand gaan, en hoe het geloof vervolmaakt wordt door daden.
  11. Handelingen 15:1-2
    Er kwamen enkele leerlingen uit Judea(volgelingen van Jacobus), die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd.
  12. Filippenzen 3:2
    Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze!
  13. Openbaring 13:8
    Alle mensen die op aarde leven zullen het beest aanbidden, iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het lam dat geslacht is.
  14. Openbaring 7:4-8
    Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen: honderdvierenveertigduizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël. Twaalfduizend uit de stam Juda die het zegel droegen, twaalfduizend uit de stam Ruben, twaalfduizend uit de stam Gad, twaalfduizend uit de stam Aser, twaalfduizend uit de stam Naftali, twaalfduizend uit de stam Manasse, twaalfduizend uit de stam Simeon, twaalfduizend uit de stam Levi, twaalfduizend uit de stam Issachar, twaalfduizend uit de stam Zebulon, twaalfduizend uit de stam Jozef en ten slotte twaalfduizend uit de stam Benjamin die het zegel droegen.
  15. Openbaring 20:15
    Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.
  16. http://nl.wikipedia.org/wiki/Jehova%27s_getuigen#Ziel.2C_opstanding_en_dood
  17. Exodus 20:5-6
    Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
  18. Exodus 34:6-7
    De HEER ging voor hem langs en riep uit: 'De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.'
  19. Ezechiël 18:20
    Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft.
    Dit is in overeenstemming met 2 Kronieken 25:4, waar staat:
    Maar hun kinderen doodde hij niet, want hij hield zich aan wat geschreven staat in het boek van Mozes, in de wet die door de HEER is opgelegd: 'Ouders zullen niet sterven om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, zal hij sterven.'
  20. Randel McCraw Helms, The Bible Against Itself, 2006, ISNB 0-9655047-5-1, p.40
  21. Jeremia 29:8-23, een deel uit de brief van Jeremia aan de ballingen te Babel, waaruit blijkt dat Jeremia denkt dat de "profeten" in Babel leugens prediken, en door God met het zwaard, de pest en honger zullen worden getroffen.
    Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Laat je niet misleiden door je profeten en waarzeggers. Hecht geen geloof aan hun dromen; ze dromen slechts wat jullie wensen. Wat ze jullie in mijn naam profeteren zijn leugens. Ik heb hen niet gezonden – spreekt de HEER. Dit zegt de HEER: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken. Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit ik je heb laten wegvoeren. Misschien zeggen jullie: "De HEER heeft ons toch ook in Babel profeten gegeven?" Maar dit zegt de HEER over de koning die op de troon van David zit en over de hele bevolking van Jeruzalem, je volksgenoten die niet met jullie in ballingschap zijn gegaan, dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen [de profeten in Babel, waarvan Ezechiël er één is] af, ik zal met hen hetzelfde doen als met bedorven vijgen, die niet meer te eten zijn. Ik zal hen met het zwaard, de honger en de pest achtervolgen en hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde maken. Hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, ze zullen afschuw en ontzetting wekken en bespot worden door alle volken waarnaar ik hen zal verbannen. Want ze hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, hoewel ik telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar hen zond.
  22. Jeremia 22:19 (SV)
    Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
  23. Jeremia 36:29-31 (SV)
    Daarom zegt de HEERE alzo van Jójakim, den koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte, en des nachts in de vorst.
  24. 2 Koningen 24:6 (SV)
    En Jójakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jójachin werd koning in zijn plaats.
  25. Ezechiël 26:7-14
    Want dit zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar, de koning van Babylonië, de koning der koningen, naar jou, Tyrus, laten optrekken. Hij komt vanuit het noorden, met paarden, wagens en ruiters, met een groot en machtig leger. Hij zal je dochters op het vasteland vellen met zijn zwaard en tegen jou zal hij een belegeringswal en een bestormingsdam opwerpen, terwijl zijn soldaten door schilden worden beschermd. Met zijn stormram zal hij op je muren beuken, je torens zal hij met houwelen neerhalen. Met zo veel paarden komt hij op je af dat stofwolken je zullen bedekken; als hij je poorten binnenkomt zullen je muren beven door het geraas van de ruiters, de wielen en de wagens, alsof de stad wordt opengereten. De hoeven van zijn paarden zullen je straten kapot trappen, hij zal je bevolking doden met zijn zwaard, je machtige zuilen zullen tegen de grond gaan. Je rijkdommen worden geroofd, je handelswaren geplunderd, je muren neergehaald en je kostbare huizen afgebroken. Alle stenen, al het houtwerk en alle puin verdwijnen in zee. Je gezang zal ik doen verstommen, niemand zal de klank van je lieren nog horen. Ik maak een kale rots van je, een droogplaats voor netten, je zult nooit meer worden herbouwd. Ik, de HEER, heb gesproken – zo spreekt God, de HEER.
  26. Ezechiël 29:17-18
    Op de eerste dag van de eerste maand in het zevenentwintigste jaar richtte de HEER zich tot mij: 'Mensenkind, Nebukadnessar, de koning van Babylonië, heeft zijn leger afgebeuld in de strijd tegen Tyrus. De hoofden van zijn mannen zijn kaalgeschuurd en hun schouders zijn ontveld. Maar al die strijd tegen Tyrus heeft hem en zijn leger niets goeds gebracht.
  27. De volgende Bijbelverzen zijn in strijd met Ezechiël 18:20 en 2 Kronieken 25:4, omdat er onschuldigen worden gestraft voor de fouten van anderen met goedkeuring, in opdracht van, of zelfs rechtstreeks door God:
    Genesis 3:16-18, Genesis 6:5, Exodus 20:5, Exodus 4:23, Exodus 7:23, Exodus 11:5, Exodus 34:7, Leviticus 26:22, Leviticus 26:29, Deuteronomium 2:34, Deuteronomium 3:6, Deuteronomium 5:9, Deuteronomium 20:14-16, Deuteronomium 23:2-3, Deuteronomium 28:54-57, Deuteronomium 28:32, Deuteronomium 28:50, Deuteronomium 32:25, Numeri 5:24, Numeri 14:8, Numeri 31:15-18, Jozua 6:20-21, Jozua 7:24-26, Jozua 8:24, Jozua 10:28, Jozua 10:35, Jozua 10:37, Jozua 10:39, Jozua 10:40, Jozua 11:11, Jozua 11:20, Jozua 11:21, Jozua 22:20, Jozua 23:5, Jozua 23:9, Rechters 20:48, Rechters 21:10, 1 Samuël 15:3, 2 Samuël 12:14-23, 2 Samuël 21:1-14, 2 Samuël 24:15, 1 Koningen 11:12, 1 Koningen 14:7-19, 1 Koningen 15:29-30, 1 Koningen 16:12-13, 1 Koningen 21:11-17, 1 Koningen 21:21, 1 Koningen 21:29, 2 Koningen 9:8-9, 2 Kronieken 21:14, 2 Kronieken 22:7-9, Psalm 21:11, Psalm 106:27, Psalm 137:9, Jesaja 14:21, Jesaja 13:16, Jesaja 13:18, Ester 9:10, Sirach 23:24, Hosea 14:1, Maleachi 2:3, Wijsheid 3:12, Wijsheid 18:5, Wijsheid 18:20, Jeremia 13:14, Jeremia 19:9, Jeremia 29:32, Ezechiël 20:25-26, Ezechiël 24:19-23, Ezechiël 29-31, Mattheüs 23:35, Romeinen 5:12, Romeinen 5:15, Romeinen 5:18, 1 Korintiërs 15:22, Openbaringen 2:23
  28. Romeinen 9:18
    Dus God is barmhartig voor wie hij wil en maakt halsstarrig wie hij wil.
  29. Exodus 4:21
    Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe ik je de macht heb gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan.
    Exodus 7:3
    Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert, en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen verrichten.
    Exodus 9:12
    Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren naar Mozes en Aäron te luisteren, zoals hij tegen Mozes gezegd had.
    Exodus 10:1
    De HEER zei tegen Mozes: 'Ga naar de farao, want ik heb hem en zijn hovelingen zo halsstarrig gemaakt om in Egypte al deze wonderen te kunnen doen.
    Exodus 10:20
    Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten te laten gaan.
    Exodus 10:27
    Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren hen te laten gaan.
    Exodus 11:9
    De HEER had tegen Mozes gezegd: 'De farao zal niet naar jullie luisteren. Zo kan ik des te meer wonderen in Egypte laten gebeuren.'
    Exodus 11:10
    Al deze wonderen hadden Mozes en Aäron daarna in het bijzijn van de farao verricht, en de HEER had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan.
    Exodus 14:4
    Ik zal ervoor zorgen dat hij onverzettelijk blijft, zodat hij jullie achtervolgt, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger ten val te brengen. Dan zullen de Egyptenaren beseffen dat ik de HEER ben.' De Israëlieten gehoorzaamden.
    Exodus 14:8
    De HEER zorgde ervoor dat de farao, de koning van Egypte, onverzettelijk bleef, zodat hij de achtervolging van de Israëlieten inzette, die onbevreesd vertrokken waren.
    Exodus 14:17
    Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen.
    Sirach 16:15
    De Heer heeft de farao halsstarrig gemaakt, opdat deze hem niet zou erkennen, maar de daden van de Heer in heel de wereld bekend zouden worden.
  30. Ezechiël 20:25-26
    Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. Met hun eigen offergaven maakte ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat ik de HEER ben.
  31. Jozua 11:20
    De HEER had namelijk alle volken zo eigenzinnig gemaakt dat ze hoe dan ook oorlog tegen Israël wilden voeren. Daarom hoefden de Israëlieten die volken niet te sparen en konden ze die vernietigen. Ja, zo konden ze die volken uitroeien, zoals de HEER aan Mozes had opgedragen.
  32. 2 Samuël 24:1
    Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: 'Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.'
  33. 2 Samuël 24:11-15
    De HEER richtte zich tot de profeet Gad, de ziener van David: 'Ga naar David en zeg hem: "Dit zegt de HEER: Drie straffen leg ik je voor. Kies er een uit; die zal ik je opleggen."' Toen David de volgende morgen opstond, kwam Gad hem vragen: 'Wat hebt u liever: zeven jaar hongersnood in uw rijk, drie maanden op de vlucht voor een belager die u in het nauw drijft, of drie dagen de pest in uw land? Denk goed na wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.' David antwoordde: 'Ik ben in het nauw gedreven! Liever vallen wij in handen van de HEER, want groot is zijn mededogen, dan dat ik in mensenhanden val.' Diezelfde morgen nog liet de HEER in Israël de pest uitbreken, die duurde tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Berseba vonden zeventigduizend mensen de dood.
  34. 1 Kronieken 21:1
    Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden.
  35. 1 Kronieken 21:7-14
    Het was slecht in Gods ogen dat dit was gebeurd, daarom strafte hij Israël. Hierop zei David tegen God: 'Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.' De HEER sprak tot Gad, de ziener van David: 'Ga naar David en zeg hem: "Dit zegt de HEER: Hier heb je drie straffen. Kies er een uit; die zal ik je opleggen."' Gad ging naar David en zei tegen hem: 'Dit zegt de HEER: Alsjeblieft, wat heb je liever? Drie jaar hongersnood, drie maanden – voortdurend belaagd door het zwaard van je tegenstanders – opgejaagd worden door je vijanden, of drie dagen getroffen worden door het zwaard van de HEER: de pest in het land, een engel van de HEER die in het hele gebied van Israël dood en verderf zaait? Zegt u maar wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.' David antwoordde: 'Ik ben in het nauw gedreven! Liever val ik in handen van de HEER, wiens mededogen zeer groot is, dan dat ik in mensenhanden val.' De HEER liet in Israël de pest uitbreken. Zeventigduizend Israëlieten vonden de dood.
  36. 1 Koningen 22:22-23 (herhaald in 2 Kronieken 18:21-22)
    "Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten," zei de geest. "Doe dat," zei de HEER. "Het zal je beslist lukken." Welnu, zo heeft de HEER in de mond van al deze profeten van u leugens gelegd. Hij heeft het juist slecht met u voor.'
  37. 1 Koningen 21:28-29
    De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: 'Heb je gezien hoe Achab zich voor mij vernedert? Omdat hij berouw toont, zal ik het onheil over zijn koningshuis niet tijdens zijn leven voltrekken, maar tijdens het leven van zijn zoon.'
  38. Jesaja 6:9-10:
    Toen zei [de HEER]: 'Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: "Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet." Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.'
  39. Johannes 12:37-40:
    Ondanks de wondertekenen die [Jezus] voor hun ogen gedaan had, geloofden ze niet in hem. Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling, die zei: 'Heer, wie heeft onze boodschap geloofd? Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?' Ze konden niet tot geloof komen, want Jesaja heeft ook gezegd: 'Hij heeft hun ogen verblind en hun hart gesloten, anders zouden zij met hun ogen zien en met hun hart begrijpen, zij zouden zich omkeren en ik zou hen genezen.'
  40. Marcus 4:11-12:
    Hij zei tegen hen: 'Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, "opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen."'
  41. Prediker 3:16-20:
    Niet meer dan de dieren zijn ze [de mensen], want de mensen en de dieren treft hetzelfde lot. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen in dezelfde adem. Dat is hun beider lot. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. Alles gaat naar dezelfde plaats, alles is uit stof ontstaan en alles keert terug tot stof.
  42. Mattheüs 24:30-34
    Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt, en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister. Dan zal hij zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere. Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is. Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.
    Mattheüs 10:22-23
    Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, zal de Mensenzoon gekomen zijn.
    Mattheüs 26:64 (Jezus spreekt de profetie uit dat de hogepriester zijn tweede komst zal meemaken)
    Jezus antwoordde: 'U zegt het. Maar ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel.'
    Marcus 13:29-30
    Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het einde nabij is. Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.
    Lucas 9:27
    Ik verzeker jullie dat sommigen die hier aanwezig zijn niet zullen sterven voor ze het koninkrijk van God hebben gezien.
    Lucas 21:32
    Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker niet verdwenen zijn wanneer dit alles gebeurt.
  43. 2 Petrus 3:9
    De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen; hij heeft alleen maar geduld met u, omdat hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat.
  44. Willem Oosterbeek, Gordel van God, Een voettocht langs 's Heeren wegen, 2006, ISBN 90 6611 674 9

 

 

Wie zijn er online?

We hebben 62 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Ellen JohnsonEllen Johnson, President van de organisatie American Atheists van 1995 tot 2008, activiste voor de rechten van atheïsten en scheiding van kerk en staat in de Verenigde Staten.

Citaat

Faith: not wanting to know what is true.

~ Friedrich Nietsche

Vandaag heeft de HEER u verzekerd
dat u, zoals hij u heeft beloofd,
zijn volk zult zijn, zijn kostbaar bezit.

~ Deuteronomium 26:18

Pascals weddenschap

In de loop der tijden hebben apologeten (zoals theologen en andere gelovigen) tal van godsbewijzen opgesteld om de ongelovigen te overtuigen van het bestaan van God, en/of het nut van geloven in God. Zo zijn er kosmologische argumenten, teleologische argumenten, ontologische argumenten, argumenten op basis van persoonlijke ervaringen (vermeende openbaringen en wonderen, troost, etc.) en ga zo maar door. Een heel curieus argument om in God te geloven is Pascals weddenschap, geopperd door de Fransman Blaise Pascal, een wiskundige, natuurkundige, christelijk filosoof, theoloog en apologeet (19 juni 1623 - 19 augustus 1662). Volgens sommigen is het woord weddenschap niet helemaal juist, en het wordt daarom ook wel Pascals gok of Pascals wedder genoemd. De Engelse term is 'Pascal's wager'. Het argument van Pascal komt feitelijk neer op het volgende: Als je er op gokt dat God bestaat, en het waar is, is een eeuwigheid van geluk en vreugde je deel. Als blijkt dat God niet bestaat, heb je in ieder geval niets verloren. Als je er daarentegen op gokt dat God niet bestaat, loop je het risico dat je voor eeuwig in de hel moet branden. Het risico van ongeloof is dus vele malen groter dan het risico van het geloof. Het is dus veiliger en daardoor verstandiger te gokken op Gods bestaan, gezien de mogelijke consequenties. Althans volgens de argumentatie van Blaise Pascal.

Pascal gaat hierbij voorbij aan een aantal essentiële zaken. Ten eerste vooronderstelt hij een god, zoals die ons door de Bijbel wordt voorgeschoteld. Hij kiest dus a priori al voor de christelijke God, zonder zich af te vragen hoe het zit met goden uit andere religies. Er zijn in de wereld duizenden (!) godsdiensten, en voor een deel daarvan zijn vergelijkbare weddenschappen op te stellen. Hoe groot is de kans dat Pascal de juiste godsdienst heeft uitgekozen? Men zou met hetzelfde argument ook de Islam kunnen postuleren als een "verstandige keuze".

Een tweede probleem is Pascals aanname dat een ongelovige er gewoon voor kan kiezen om in de christelijke god te geloven. Deze veronderstelling is volstrekt onjuist. Als iemand overtuigd is van de onjuistheid van een bepaalde propositie, is het onmogelijk er desondanks voor te kiezen diezelfde propositie toch maar te gaan geloven. De enige manier om iemand te doen geloven dat de propositie toch juist is, is door overtuigende argumenten aan te dragen, die de juistheid van de propositie bewijzen, of op z'n minst aannemelijk te maken. (Een belangrijke reden waarom gelovigen zo vaak op die "vrije wil" hameren, is, denk ik wel eens, om een eeuwige straf die de ongelovigen te wachten staat, te rechtvaardigen. Ongelovigen "hebben God afgewezen", en dus hebben ze het zelf zo gewild.)

De bovenstaande tegenwerpingen in ogenschouw nemende zou je zeggen dat dit argument, dat al uit 17e eeuw stamt, vandaag de dag niet meer serieus genomen wordt. Het tegendeel is echter waar. Hoe vaak horen we niet zeggen: "Wat als je sterft en je blijkt ongelijk te hebben, en je wordt naar de hel gestuurd? Hoe zou je je dan voelen?" Een dergelijke vraag lijkt verdacht veel op de argumentatie van Pascal, en is met dezelfde objecties van de hand te wijzen. Mensen die op basis van een dergelijk argument "geloven" worden door Multatuli in zijn Gebed van een onwetende terecht als 'laf' afgeschilderd [1]:

Wie 't goede doet
Opdat een God hem loonen zou maakt juist daardoor
Het goede tot iets kwaads, tot handel. En wie boosheid vliedt,
Uit vrees voor de ongenade van dien God, is ... laf!

Een gedachte-experiment: Pascals polis

Terug naar Pascal. Ik wil de lezer graag verleiden tot een gedachte-experiment. Stelt u zich eens voor dat Pascal niet een apologeet uit de 17e eeuw was, maar een 21e-eeuwse atheïst. En stel dat hij niet een argument vóór, maar juist tégen het geloven in de christelijke god wilde opstellen. Het is niet ondenkbaar dat Pascal op een zondagochtend zijn woonkamer inloopt, zijn televisie aanzet, en getrakteerd wordt op een uitzending van een publieke omroep met een evangelische inslag, waarin een Tv-dominee staat te preken: "Gemeente van onze Heer, Jezus Christus, broeders en zusters, wij mogen ons zeker weten van Jezus' hulp." Je ergens zeker van weten. Dat zou een onderwerp zijn dat Pascal erg zou interesseren. Immers, de 17e-eeuwse Pascal was ook geïntrigeerd door de risico's die er kleven aan de keuze van (on)geloof, en met zijn weddenschap opperde hij ook een optie die je zou kunnen omschrijven als 'op safe spelen', 'de veiligste optie kiezen', of 'gaan voor zekerheid'. Het zou niet ondenkbaar zijn dat de 21e-eeuwse atheïstische Pascal uit ons gedachte-experiment, in plaats van met een weddenschap, met een verzekeringspolis op de proppen zou komen. Een zeer voor de hand liggende metafoor eigenlijk. Immers, het gros van de gelovigen wil 'zich zeker weten' van de genade van God, zekerheid dat zij recht hebben op een plekje aan de rechterhand Gods wanneer het hier op aarde allemaal over en uit is. Een klein offer (af en toe een saaie kerkdienst, op zondag niet naar het zwembad, geen seks voor het huwelijk, ...), maar een oneindig grote beloning (het paradijs). In "onze" Pascals metafoor goed te vergelijken met een prima op te brengen premie, maar als het zover komt: een grote uitkering! En de polisvoorwaarden, die staan in de Bijbel. Een zaligmakende verzekeringspolis. Laten we het Pascals polis noemen.

De voorwaarden (1): Zalig door geloof of door goede werken?

Laten we eens een paar voorwaarden uit de zaligmakende polis, genaamd de Bijbel, tegen het licht houden. Als we het over een zaligmakende polis hebben, en dan in het licht van het hiernamaals, moeten we dus op zoek naar die verzen (artikelen) in de Bijbel (polisvoorwaarden), die daar iets over zeggen. Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om zalig te worden? Daar hebben verschillende volgelingen van Jezus een heel verschillende mening over. Als eerste hebben we uiteraard Paulus (aangenomen dat het werkelijk Paulus was die de brieven schreef die volgens de polisvoorwaarden aan hem worden toegeschreven), die bij herhaling betoogt dat men zalig wordt door het geloof, en niet door daden of het strikt volgen van de wet [2][3][4][5][6]. Naast Romeinen [3] wordt o.a. in de volgende boeken deze visie ondersteund: 1 en 2 Timoteüs, Titus, Kolossenzen [4], Efeziërs [5], Handelingen [11], 1 en 2 Korintiërs, Hebreeën, Filemon, Filippenzen, Galaten [6][7], 1 en 2 Tessalonicenzen, het Lucas evangelie en het Marcus evangelie. Ook Maarten Luther (1483-1546) dacht er zo over. De mens kan volgens Luther niet gered worden door goede werken. Alleen het geloof (sola fide) kan de mens redden van het hellevuur.

Jacobus, de broeder van Jezus, is het echter helemaal niet met Paulus eens. Geloof alleen is onvoldoende. Hij legt sterk de nadruk op goede daden en het stipt volgen van de wetten die God heeft gegeven [8][9][10], inclusief zaken als besnijdenis [11]. Over het al dan niet volgen van de wetten van Mozes wordt door de Jacobus en Paulus een ware machtsstrijd gevoerd [2]. In een schrijven aan de Filippenzen gaat Paulus zelfs zover hij de aanhangers van Jacobus voor 'honden' uitmaakt [12].

Een derde visie op het al dan niet zalig worden, wordt gegeven in het boek Openbaring. Volgens dit boek stond aan het begin der tijden al vast [13] wie er naar de hemel gaan. Dat zijn namelijk de 'verzegelden', 144000 maagdelijke mannen, 12000 uit iedere stam van Israël [14]. Met de rest van de mensen loopt het slecht af [15]. Volgens de Jehova's getuigen zijn trouwens deze 'verzegelden' geen maagdelijke Joodse mannen, maar zijn het 144000 Jehova's getuigen [16]. Omdat van tevoren al vaststaat wie dat zijn (predestinatie), maakt het dus niet uit hoe je hebt geleefd: gelovig of niet gelovig, zondig of niet zondig. Je hebt er zelf geen enkele invloed op.

De polisvoorwaarden geven dus niet duidelijk aan wanneer de verzekeraar tot uitkering overgaat. Moet men geloven, goede werken verrichten, of het maar lekker op z'n beloop laten?

De voorwaarden (2): gaan zonden over van geslacht op geslacht?

En dan hebben we het eigenlijk alleen nog maar gehad over het eigen gedrag. Hoe gaat de verzekeraar om met sancties voor kinderen naar aanleiding van eventuele misdragingen door de ouders? M.a.w., kan men worden gestraft voor de fouten van voorouders? Heeft het zin om je te bekeren als je ouders goddeloze heidenen waren? De Bijbel leert ons dat God een jaloerse god is die het nageslacht van zondaars straft voor de zonden van hun ouders, tot in het derde en vierde geslacht, maar zijn liefde bewijst aan de kinderen van hen die God liefhebben, tot in het duizendste geslacht [17][18]. Dergelijke polisvoorwaarden zijn nogal ambigu. Kunnen mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen het schudden als ik op de sabbat wat hout sprokkel? En wat als overgrootvader wel een godvrezend man was? Mogen mijn achterkleinkinderen dan toch, ondanks mijn hout sprokkelen op de voorgeschreven rustdag, de liefde van God verwachten vanwege mijn overgrootvaders onbesproken gedrag?

De profeet Ezechiël, die in de 6e eeuw voor Chr. (tijdens koning Jechonja (= Jojachin)) in ballingschap is, leert ons dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen daden [19]. Maar Jeremia daarentegen, een profeet die niet in ballingschap is maar in Juda zit, beticht de profeten in ballingschap, waaronder ook Ezechiël zich bevindt, ervan valse profeten te zijn [20]. Hij doet dit in zijn brief aan de ballingen [21] waarin hij tegen deze 'valse profeten' tekeer gaat. Wellicht zijn zelfs beide profeten (Jeremia en Ezechiël) vals, want van beide heren zijn heel duidelijke profetieën niet uitgekomen. Jeremia voorspelt tot tweemaal toe over koning Jojakim dat deze met een ezelsbegrafenis zal worden begraven [22][23], maar elders lezen we dat Jojakim op een nette manier bij zijn vaderen te ruste ging [24]. Ezechiël profeteert eerst op hoogdravende toon dat Nebukadnezar de stad Tyrus zal innemen [25], maar even later blijkt die voorspelling niet uit te komen, en draait het hele "feest" op een groot fiasco uit [26].

Wie zullen we geloven? Mozes [17][18], Ezechiël [19] of Jeremia? Lijden of profiteren we door de daden van onze voorouders, of zijn we verantwoordelijk voor onze eigen daden? Uit de polisvoorwaarden is niet eenduidig af te leiden hoe het zit.

De voorwaarden (3): is wat God ons ingeeft altijd goed?

Laten we aannemen dat Ezechiël gelijk heeft, en dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen daden [19]. De moderne mens krijgt hier denk ik een gevoel van rechtvaardigheid bij (ook al zijn er tientallen Bijbelverzen die Ezechiël tegenspreken [27]). Hoe weten we zeker dat we niet onder invloed verkeren van een macht die groter is dan wij, nl. God zelf? Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen dat God halsstarrig maakt wie hij wil [28]. Als God zelf ons halsstarrig maakt, hoe kunnen wij stervelingen dan ooit weerstand bieden aan zijn almacht? En dat de gevolgen daarvan dramatisch kunnen zijn lezen we in Exodus, waar God de Farao bij herhaling halsstarrig maakt [29]. Vervolgens wordt het hele Egyptische volk aan de ene plaag na de andere blootgesteld. Dit heeft talloze doden tot gevolg (neem alleen al die onschuldige eerstgeborenen die sterven), en dat allemaal omdat God nota bene hoogstpersoonlijk de Farao halsstarrig maakt. Als God dat nou niet had gedaan, had de Farao de Israëlieten misschien wel zonder slag of stoot laten gaan, en was de Egyptenaren heel wat leed bespaard gebleven. We zullen het nooit precies weten, maar de invloed van God op de Farao zal zeker geen goed gedaan hebben.

Wanneer het volk Israël in de woestijn ronddoolt, gedraagt het zich niet altijd even goed. Voor straf moeten ze er veertig jaar blijven, lezen we in Exodus. Wat Exodus niet verhaalt, is dat het God in hoogst eigen persoon is die het volk in die tijd gruwelijke wetten voorschrijft, waardoor zij vreselijke zonden begaan. We weten dit dankzij Ezechiël, die schrijft: "[God] gaf hen zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. [...] hun eerstgeborenen liet [God] hen offeren [...]" [30]. Dat is even slikken voor de aanhangers van de goddelijke-bevelstheorie van de moraal.

En als dan het volk Israël eenmaal het land Kanaän binnentrekt, na 40 jaar doelloos ronddwalen, kwakkels en manna eten, en slechte wetten van God op te volgen in de woestijn, volgt wederom een staaltje machtsvertoon van God over de ruggen van de onschuldige, argeloze autochtone bewoners van dat land. De volkeren die het land Kanaän bevolken, totdat ze door de Israëlieten onder leiding van Jozua worden uitgeroeid, worden nl. evenals de Farao door God zelf weerbarstig gemaakt, zodat Jozua een geldig excuus heeft voor de genocide die hij daar (in opdracht van God) pleegt [31]. Mogen we hieruit afleiden dat wanneer God deze autochtonen niet weerbarstig had gemaakt, er aanzienlijk wat minder bloed vergoten zou zijn? Dat lijkt wel heel aannemelijk, want waarom zou de Bijbel expliciet vermelden dat God de volkeren weerbarstig maakte?

En wat te denken van het verhaal in Samuël 24, waar David in opdracht van God [32] een volkstelling laat houden? Je zou zeggen dat David Gods wil uitvoert, en dus goed bezig is. Niet is minder waar. Het bleek een vooropgezet plan te zijn van God om David te kunnen straffen. De ziener Gad komt David het slechte nieuws brengen, en David mag uit drie vreselijke straffen kiezen: zeven jaar hongersnood, drie maanden op de vlucht voor een belager, of drie dagen de pest in het land. David kan niet kiezen, en God laat zeventigduizend onschuldigen (!) aan de pest overlijden [33]. Blijkbaar is wat God je ingeeft niet altijd goed. Had David ongehoorzaam moeten zijn en geen volkstelling moeten houden? Of zou God dan nog toorniger zijn geworden? Misschien waren er dan nog meer onschuldigen aan een gruwelijke ziekte overleden. Opvallend is het overigens dat een ander Bijbelboek, 1 Kronieken, een heel andere weergave van het verhaal geeft, waarin de schrijver doet voorkomen dat het niet God, maar Satan is die David aanzet tot de volkstelling [34]. Een niet geringe contradictie in onze polisvoorwaarden! De boosheid van God die volgt op deze volkstelling lijkt nu wel iets redelijker omdat David deed wat slecht is in de ogen van God, nl. doen wat de Satan hem ingaf. Toch moet wel gezegd worden dat het niet erg rechtvaardig is - althans volgens onze hedendaagse westerse normen - om zeventigduizend onschuldigen te straffen voor de fout van iemand anders [35]. Overigens redeneren sommige gelovigen die graag vasthouden aan de letterlijke waarheid van de Bijbel de contradictie tussen deze twee verhalen [32][34] weg door te stellen dat God Satan gebruikte om David aan te zetten tot een volkstelling. Het probleem hiermee is dat God weer even onbetrouwbaar wordt als in de versie van Samuël.

Een heel bijzonder - en zeer verwarrend - verhaal vinden we in 1 Koningen (en in 2 Kronieken) over koning Achab van Israël. Achab heeft koning Josafat van Juda uitgenodigd, en wil met hem gezamenlijk ten strijde trekken tegen de stad Ramot in Gilead. Ze vragen maar liefst vierhonderd profeten van Achab om raad. Deze geven aan dat het een goed plan is. 'Trek op. God zal u de stad in handen geven,' zeggen ze. Josafat vraagt of er niet nog één extra profeet is die ze om advies kunnen vragen. Waarom vierhonderd niet genoeg is, maar vierhonderdeneen wel, wordt niet vermeld. De profeet Micha wordt opgetrommeld. De bode die Micha gaat halen vertelt hem dat alle vierhonderd andere profeten positief waren over de plannen van Achab, en hoopt dat Micha dezelfde boodschap zal geven. Maar Micha zegt: 'Zowaar de HEER leeft, ik zeg alleen wat mijn God mij in de mond legt.' Desalniettemin geeft ook Micha een positief advies aan Achab. Maar dan gebeurt er iets vreemds. Ondanks dat Achab blij zou moeten zijn met dit advies, dringt hij er bij Micha (waar ie een hekel aan blijkt te hebben vanwege zijn voor Achab ongunstige profetieën uit het verleden) op aan om toch vooral de waarheid te spreken. Opmerkelijk. Ruikt Achab onraad? En dan verandert Micha om onduidelijke redenen ineens zijn boodschap, wat ook opmerkelijk is want hij beweert toch louter te zeggen wat God hem in de mond legt. Is God ineens van mening veranderd, of is Micha een amateur? Vervolgens komt Micha met een verhaal dat God in de hemel een vergadering heeft gehouden met 'alle hemelse machten' (geesten) met als doel het overhalen van Achab om ten strijde te trekken tegen Ramot, Achabs ondergang tegemoet. De uitkomst van die vergadering zou een listig plan zijn waarin zou zijn opgenomen dat een van deze geesten met goedkeuring van God de profeten van Achab leugens zou influisteren met als resultaat dat zij Achab overhalen ten strijde te trekken. Hierdoor zal Achab zijn ondergang tegemoet gaan, wat het doel van het plan is. [36] We zien hier dat God en zijn hemelse machten opzettelijk leugens verspreiden! Wat nog het meest opmerkelijke is, is dat Micha zelf ook eerst een leugen vertelt, maar direct daarna honderdentachtig graden draait, en nota bene Gods listige plannetje aan Achab verraadt. Die trekt zich daar vervolgens niets van aan - wat wil je ook met zo'n warrige profetie - en trekt ten strijde, zijn ondergang tegemoet. Deze ondergang staat ook nog eens haaks op wat God eerder in 1 Koningen aan Elia zegt, nl. dat Achab geen onheil zal overkomen [37], maar dat terzijde.

In Jesaja zien we ook dat God de profeet de opdracht geeft het volk doof, blind en ongevoelig te maken, zodat ze niet zullen luisteren en 'geen herstel vinden' [38]. Johannes verwijst hier later naar terug wanneer Jezus ondanks zijn wonderen niet wordt geloofd, waaruit we mogen opmaken dat God zelf er voor zorgde dat Jezus wonderen niet werden geloofd [39]. En ook het evangelie van Marcus leert ons over de doelbewuste misleiding door van de menigte door Jezus, die in raadselen spreekt 'opdat ze scherp zien, maar geen inzicht krijgen, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen' [40].

Door God ingeplante halsstarrigheid (de Egyptische Farao), slechte wetten en regels (tijdens de 40 jaar durende zwerftocht van de Israëlieten door de woestijn), opdrachten van God die later bestraft worden (David), leugenachtige profeten, gebroken beloftes, en de doelbewuste misleiding door God en Jezus, nota bene om te voorkomen dat de mensen zich zouden bekeren, maken onze polis er niet degelijker op. Hoe moeten we dit rijmen met de aan God en Jezus toegedichte eigenschappen zoals liefde en rechtvaardigheid? En hoe weten we dat de polisvoorwaarden zelf geen misleiding zijn?

De voorwaarden (4): komt onze polis ooit tot uitkering?

Om tot uitkering te komen moet er minimaal een hiernamaals bestaan. In relatie tot dat hiernamaals staat er een zorgelijke passage in onze polisvoorwaarden. De schrijver van Prediker vertelt ons iets waar de meeste gelovigen het koud van zullen krijgen [41]. In Prediker 3 stelt hij dat mensen niet meer zijn dan dieren, en hen hetzelfde lot treft. Dood is dood. Over en uit. Niks hiernamaals. Nada. Alles is uit stof ontstaan, en alles keert weder tot stof. Alles is leegte. Tja, zo bezien zal onze polis nimmer tot uitkering komen ben ik bang. Of moeten we de schrijver van Prediker zien als zo'n profeet die een leugen kreeg ingefluisterd? Een halsstarrige? God maakt immers halsstarrig wie hij wil [28]?

Had onze polis inmiddels al niet heel lang geleden tot uitkering moeten komen? Immers, was het niet Jezus zelf die ons nota bene verzekerde dat het koninkrijk Gods zou komen voordat de generatie waartegen hij sprak zou zijn verdwenen [42]? Die generatie is toch allang voorbij? Hoe zit het eigenlijk met de houdbaarheidsdatum van onze polis? Ik weet wel dat Petrus heeft betoogd dat Jezus nog niet is teruggekeerd omdat hij 'geduld met ons heeft' en 'wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat' [43], maar dat steekt toch een beetje flauwtjes af bij de zekerheid waarmee Jezus hoogst persoonlijk zijn stellige beweringen doet, die bij herhaling in de evangeliën terugkomen [42]. Bovendien komen er door langer te wachten steeds meer mensen bij, en wordt de taak om iedereen te bekeren alsmaar groter, en moeilijker te volbrengen. Je zou veronderstellen dat hoe eerder Jezus terugkeert, des te meer de schade (in de vorm van verloren zielen) beperkt blijft. We zijn inmiddels met ruim zes miljard zielen op de planeet Aarde, waarvan een fors deel niet tot het christelijke geloof is bekeerd. En het aantal zielen groeit harder dan ooit.

De verzekeringsagent raadplegen?

We kunnen er niet omheen: of de polisvoorwaarden rammelen aan alle kanten, of ze zijn zo ingewikkeld dat we een verzekeringsagent, een specialist, nodig hebben om ze aan ons uit te leggen. Laten we positief blijven en van het laatste uitgaan: het is een fantastische verzekering, maar we hebben gewoon een specialist nodig die ons wegwijs maakt in de polisvoorwaarden. Rechtstreeks contact met de verzekeraar via e-mail, fax, telefoon, via de post of fysiek langsgaan bij het hoofdkantoor is niet mogelijk, dus op naar zo'n specialist dan maar! Maar wie? Een katholieke pastoor? Een protestantse dominee? Van welke kerk? Om de lezer een indruk te geven, in Nederland alleen al wemelt het van de protestantse kerkelijke organisaties [44]. De grootste is de Protestantse Kerk Nederland (PKN, een fusie tussen de Gereformeerde Kerken, (een deel van) de Nederlandse Hervormde Kerk en de Lutherse Kerk). Niet iedereen was blij met die fusie, waardoor weer nieuwe kerken ontstonden, zoals de Hersteld Hervormde Kerk (die trouwens zelf vinden dat ze de Nederlandse Hervormde Kerk voortzetten) en de Voortgezette Gereformeerde Kerk. Verder hebben we de Christelijk Gereformeerde Kerk (die tussen de gemeenten onderling ook nog bepaalde twistpunten hebben, waardoor dominees uit de ene gemeente beslist niet kunnen preken in een andere gemeente), Pinksterbewegingen, de migrantenkerk, evangelische groeperingen, baptisten, de Doopsgezinde Broederschap, de Apostolische Gemeente, de Zevende-dags-Adventisten, het Leger des Heils, de Mormonen (ten slotte ook een christelijke stroming), en een hele grote groep bevindelijke gemeenten. Bevindelijken menen een persoonlijke relatie met God te hebben. Die persoonlijke relatie beschermt ze echter niet tegen allerlei verschillen van mening en twistpunten, waardoor ze helaas niet samen door één kerkdeur kunnen. Dit levert dan ook weer een bonte verzameling kerkgemeenschappen op: De Gereformeerde Gemeente, Gereformeerde Gemeente in Nederland, Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland, Oude Gereformeerde Gemeenten, hervormd-gereformeerden, Nederduits-hervormden, oud-hervormden, presbyteriaal-hervormden, vrij-gereformeerden, vrij-hervormden, vrij-oud-gereformeerden, vrijzinnig hervormden, confessioneel hervormden, de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken, Nederlands Gereformeerde Kerken (een afsplitsing van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken), evangelische verenigingen en diverse huiskamerclubjes. In Zeeland hebben we zelfs al een atheïstische dominee, in de persoon van Klaas Hendrikse. Dus als we in ons eigen landje een specialist zoeken om ons de polisvoorwaarden uit te leggen, kunnen we te kust en te keur gaan bij een groot aantal geestelijken die er allemaal een andere mening op na houden. Als al die meningen evenveel waard zijn, moeten we tot de conclusie komen dat ze allemaal niets waard zijn, ben ik bang.

Conclusie

De lezer zal het met me eens zijn dat het een verstandige gewoonte is om bij het afsluiten van een verzekering altijd eerst de polisvoorwaarden goed door te nemen, en de kleine lettertjes te lezen, alvorens ergens een handtekening onder te zetten. Toch blijken er veel verzekerden te zijn die hun polisvoorwaarden niet grondig hebben gelezen, en er klakkeloos vanuit gaan dat het allemaal wel los loopt. Dit zijn in het gedachte-experiment, de polis van Pascal, de gelovigen die hun Bijbel niet goed hebben gelezen, of er ondanks de bedenkelijke voorwaarden, de tegenstrijdigheden, en de twistpunten tussen de theologen, blindelings op vertrouwen dat het allemaal wel goed zal komen. Maar komt het wel goed? De Pascal in ons gedachte-experiment zou u ongetwijfeld adviseren niet met deze verzekeraar in zee te gaan. Met zulke gammele, tegenstrijdige en onduidelijke voorwaarden is het maar zeer de vraag of we met een bonafide verzekeraar van doen hebben. En bovendien blijken alle specialisten er een eigen interpretatie op na te houden, zonder dat er ook maar een spoortje van enige regie vanuit het hoofdkantoor te ontdekken valt.

Een aantal tegenwerpingen door de godsdienstigen zijn natuurlijk eenvoudig te voorspellen. "Je moet je niet zo richten op de negatieve dingen. Je moet uitgaan van het positieve. God is liefde." Maar doen we dat ook met onze autoverzekering of onze opstalverzekering? Nee, dan pluizen we de voorwaarden goed uit als we verstandig zijn. En als er onduidelijkheden zijn, is het verstandig die eerst goed uit te zoeken. Tegen de tijd dat er moet worden uitgekeerd valt er niet meer over de polisvoorwaarde te discussiëren. We zouden er naar het oordeel van de verzekeraar wel eens helemaal naast kunnen zitten met onze interpretaties van de polisvoorwaarden. En wees nou eerlijk: met elkaar tegensprekende voorwaarden is er altijd een voorwaarde waaraan de verzekerde niet heeft voldaan, en dan staat die lang verwachte uitkering toch maar mooi op de tocht.

"Geloof is niet te vergelijken met een verzekering," is een andere te verwachten tegenwerping. Prima, maar geloof is ook niet te vergelijken met een weddenschap zoals die van de 17e-eeuwse Pascal, en hoe vaak wordt die - in onze 21e eeuw nota bene - niet nog steeds gebruikt als "argument" om een ongelovige te overtuigen? Als de vergelijking met een verzekering niet opgaat, dan gaat de vergelijking met een weddenschap zeker niet op. Eerlijk is eerlijk.

Noten

  1. Multatuli, Bloemlezing, G.L. Funke, Amsterdam 1876, p.269-271
  2. Randel McCraw Helms, The Bible Against Itself, 2006, ISBN 0-9655047-5-1, p.115-151
  3. Romeinen 3:28
    Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven.
  4. Kolossenzen 2:16-23
    Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus. Laat u niet veroordelen door mensen die opgaan in zelfvernedering en engelenverering, zich verdiepen in visioenen of zich laten voorstaan op eigen bedenksels. Zulke mensen richten zich niet naar het hoofd, van waaruit God het hele lichaam, door gewrichtsbanden en pezen ondersteund en bijeengehouden, doet groeien. Als u met Christus dood bent voor de machten van de wereld, waarom laat u zich dan geboden opleggen alsof u nog in de wereld leeft? 'Raak dit niet aan, proef dat niet, blijf daarvan af' – het zijn menselijke voorschriften en principes over zaken die door het gebruik vergaan. Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.
  5. Efeziërs 2:8-9
    Door zijn genade bent u nu immers gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan.
  6. Galaten 1:21
    Ik verwerp Gods genade niet; als we door de wet rechtvaardig zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn.
  7. Galaten 2:15-16
    Hoewel wij Joden van geboorte zijn en geen zondaars uit andere volken, weten we dat niemand als rechtvaardige wordt aangenomen door de wet na te leven, maar door het geloof in Jezus Christus. Ook wij zijn tot geloof in Christus Jezus gekomen om daardoor, en niet door de wet, rechtvaardig te worden, want niemand wordt rechtvaardig door de wet na te leven.
  8. Jacobus 2:24-26
    U ziet dus dat iemand rechtvaardig wordt verklaard om wat hij doet, en niet alleen om zijn geloof. Werd niet ook Rachab, de hoer, rechtvaardig verklaard om wat ze deed, toen ze de verkenners ontving en langs een andere weg liet vertrekken? Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is ook geloof zonder daden dood.
  9. Jacobus 1:26-27
    Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite. Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven.
  10. Jacobus 2:19-22
    U gelooft dat God de enige is? Daar doet u goed aan. Maar de demonen geloven dat ook, en ze sidderen. Dwaas, wilt u het bewijs dat geloof zonder daden nutteloos is? Werd het onze voorvader Abraham niet als een rechtvaardige daad toegerekend dat hij zijn zoon Isaak op het altaar wilde offeren? U ziet hoe geloof en handelen daar hand in hand gaan, en hoe het geloof vervolmaakt wordt door daden.
  11. Handelingen 15:1-2
    Er kwamen enkele leerlingen uit Judea(volgelingen van Jacobus), die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd.
  12. Filippenzen 3:2
    Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze!
  13. Openbaring 13:8
    Alle mensen die op aarde leven zullen het beest aanbidden, iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het lam dat geslacht is.
  14. Openbaring 7:4-8
    Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen: honderdvierenveertigduizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israël. Twaalfduizend uit de stam Juda die het zegel droegen, twaalfduizend uit de stam Ruben, twaalfduizend uit de stam Gad, twaalfduizend uit de stam Aser, twaalfduizend uit de stam Naftali, twaalfduizend uit de stam Manasse, twaalfduizend uit de stam Simeon, twaalfduizend uit de stam Levi, twaalfduizend uit de stam Issachar, twaalfduizend uit de stam Zebulon, twaalfduizend uit de stam Jozef en ten slotte twaalfduizend uit de stam Benjamin die het zegel droegen.
  15. Openbaring 20:15
    Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.
  16. http://nl.wikipedia.org/wiki/Jehova%27s_getuigen#Ziel.2C_opstanding_en_dood
  17. Exodus 20:5-6
    Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
  18. Exodus 34:6-7
    De HEER ging voor hem langs en riep uit: 'De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.'
  19. Ezechiël 18:20
    Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft.
    Dit is in overeenstemming met 2 Kronieken 25:4, waar staat:
    Maar hun kinderen doodde hij niet, want hij hield zich aan wat geschreven staat in het boek van Mozes, in de wet die door de HEER is opgelegd: 'Ouders zullen niet sterven om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, zal hij sterven.'
  20. Randel McCraw Helms, The Bible Against Itself, 2006, ISNB 0-9655047-5-1, p.40
  21. Jeremia 29:8-23, een deel uit de brief van Jeremia aan de ballingen te Babel, waaruit blijkt dat Jeremia denkt dat de "profeten" in Babel leugens prediken, en door God met het zwaard, de pest en honger zullen worden getroffen.
    Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Laat je niet misleiden door je profeten en waarzeggers. Hecht geen geloof aan hun dromen; ze dromen slechts wat jullie wensen. Wat ze jullie in mijn naam profeteren zijn leugens. Ik heb hen niet gezonden – spreekt de HEER. Dit zegt de HEER: Als er in Babel zeventig jaar voorbij zijn, zal ik naar jullie omzien. Dan zal ik mijn belofte gestand doen door jullie naar Jeruzalem te laten terugkeren. Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de HEER. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven. Jullie zullen mij aanroepen en tot mij bidden, en ik zal naar jullie luisteren. Jullie zullen mij zoeken en ook vinden, als jullie mij tenminste met hart en ziel zoeken. Ik zal me door jullie laten vinden – spreekt de HEER – en ik zal in je lot een keer brengen. Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en plaatsen waarheen ik je verbannen heb – spreekt de HEER – en je laten terugkeren naar Jeruzalem, waaruit ik je heb laten wegvoeren. Misschien zeggen jullie: "De HEER heeft ons toch ook in Babel profeten gegeven?" Maar dit zegt de HEER over de koning die op de troon van David zit en over de hele bevolking van Jeruzalem, je volksgenoten die niet met jullie in ballingschap zijn gegaan, dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen [de profeten in Babel, waarvan Ezechiël er één is] af, ik zal met hen hetzelfde doen als met bedorven vijgen, die niet meer te eten zijn. Ik zal hen met het zwaard, de honger en de pest achtervolgen en hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde maken. Hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, ze zullen afschuw en ontzetting wekken en bespot worden door alle volken waarnaar ik hen zal verbannen. Want ze hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, hoewel ik telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar hen zond.
  22. Jeremia 22:19 (SV)
    Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.
  23. Jeremia 36:29-31 (SV)
    Daarom zegt de HEERE alzo van Jójakim, den koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte, en des nachts in de vorst.
  24. 2 Koningen 24:6 (SV)
    En Jójakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jójachin werd koning in zijn plaats.
  25. Ezechiël 26:7-14
    Want dit zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar, de koning van Babylonië, de koning der koningen, naar jou, Tyrus, laten optrekken. Hij komt vanuit het noorden, met paarden, wagens en ruiters, met een groot en machtig leger. Hij zal je dochters op het vasteland vellen met zijn zwaard en tegen jou zal hij een belegeringswal en een bestormingsdam opwerpen, terwijl zijn soldaten door schilden worden beschermd. Met zijn stormram zal hij op je muren beuken, je torens zal hij met houwelen neerhalen. Met zo veel paarden komt hij op je af dat stofwolken je zullen bedekken; als hij je poorten binnenkomt zullen je muren beven door het geraas van de ruiters, de wielen en de wagens, alsof de stad wordt opengereten. De hoeven van zijn paarden zullen je straten kapot trappen, hij zal je bevolking doden met zijn zwaard, je machtige zuilen zullen tegen de grond gaan. Je rijkdommen worden geroofd, je handelswaren geplunderd, je muren neergehaald en je kostbare huizen afgebroken. Alle stenen, al het houtwerk en alle puin verdwijnen in zee. Je gezang zal ik doen verstommen, niemand zal de klank van je lieren nog horen. Ik maak een kale rots van je, een droogplaats voor netten, je zult nooit meer worden herbouwd. Ik, de HEER, heb gesproken – zo spreekt God, de HEER.
  26. Ezechiël 29:17-18
    Op de eerste dag van de eerste maand in het zevenentwintigste jaar richtte de HEER zich tot mij: 'Mensenkind, Nebukadnessar, de koning van Babylonië, heeft zijn leger afgebeuld in de strijd tegen Tyrus. De hoofden van zijn mannen zijn kaalgeschuurd en hun schouders zijn ontveld. Maar al die strijd tegen Tyrus heeft hem en zijn leger niets goeds gebracht.
  27. De volgende Bijbelverzen zijn in strijd met Ezechiël 18:20 en 2 Kronieken 25:4, omdat er onschuldigen worden gestraft voor de fouten van anderen met goedkeuring, in opdracht van, of zelfs rechtstreeks door God:
    Genesis 3:16-18, Genesis 6:5, Exodus 20:5, Exodus 4:23, Exodus 7:23, Exodus 11:5, Exodus 34:7, Leviticus 26:22, Leviticus 26:29, Deuteronomium 2:34, Deuteronomium 3:6, Deuteronomium 5:9, Deuteronomium 20:14-16, Deuteronomium 23:2-3, Deuteronomium 28:54-57, Deuteronomium 28:32, Deuteronomium 28:50, Deuteronomium 32:25, Numeri 5:24, Numeri 14:8, Numeri 31:15-18, Jozua 6:20-21, Jozua 7:24-26, Jozua 8:24, Jozua 10:28, Jozua 10:35, Jozua 10:37, Jozua 10:39, Jozua 10:40, Jozua 11:11, Jozua 11:20, Jozua 11:21, Jozua 22:20, Jozua 23:5, Jozua 23:9, Rechters 20:48, Rechters 21:10, 1 Samuël 15:3, 2 Samuël 12:14-23, 2 Samuël 21:1-14, 2 Samuël 24:15, 1 Koningen 11:12, 1 Koningen 14:7-19, 1 Koningen 15:29-30, 1 Koningen 16:12-13, 1 Koningen 21:11-17, 1 Koningen 21:21, 1 Koningen 21:29, 2 Koningen 9:8-9, 2 Kronieken 21:14, 2 Kronieken 22:7-9, Psalm 21:11, Psalm 106:27, Psalm 137:9, Jesaja 14:21, Jesaja 13:16, Jesaja 13:18, Ester 9:10, Sirach 23:24, Hosea 14:1, Maleachi 2:3, Wijsheid 3:12, Wijsheid 18:5, Wijsheid 18:20, Jeremia 13:14, Jeremia 19:9, Jeremia 29:32, Ezechiël 20:25-26, Ezechiël 24:19-23, Ezechiël 29-31, Mattheüs 23:35, Romeinen 5:12, Romeinen 5:15, Romeinen 5:18, 1 Korintiërs 15:22, Openbaringen 2:23
  28. Romeinen 9:18
    Dus God is barmhartig voor wie hij wil en maakt halsstarrig wie hij wil.
  29. Exodus 4:21
    Toen zei de HEER tegen Mozes: 'Nu je teruggaat naar Egypte, moeten jullie daar de farao alle wonderen laten zien waartoe ik je de macht heb gegeven. Ik zal ervoor zorgen dat hij hardnekkig weigert het volk te laten gaan.
    Exodus 7:3
    Ik zal ervoor zorgen dat de farao hardnekkig weigert, en ik zal in Egypte veel tekenen en wonderen verrichten.
    Exodus 9:12
    Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren naar Mozes en Aäron te luisteren, zoals hij tegen Mozes gezegd had.
    Exodus 10:1
    De HEER zei tegen Mozes: 'Ga naar de farao, want ik heb hem en zijn hovelingen zo halsstarrig gemaakt om in Egypte al deze wonderen te kunnen doen.
    Exodus 10:20
    Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten te laten gaan.
    Exodus 10:27
    Maar de HEER zorgde ervoor dat de farao hardnekkig bleef weigeren hen te laten gaan.
    Exodus 11:9
    De HEER had tegen Mozes gezegd: 'De farao zal niet naar jullie luisteren. Zo kan ik des te meer wonderen in Egypte laten gebeuren.'
    Exodus 11:10
    Al deze wonderen hadden Mozes en Aäron daarna in het bijzijn van de farao verricht, en de HEER had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan.
    Exodus 14:4
    Ik zal ervoor zorgen dat hij onverzettelijk blijft, zodat hij jullie achtervolgt, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger ten val te brengen. Dan zullen de Egyptenaren beseffen dat ik de HEER ben.' De Israëlieten gehoorzaamden.
    Exodus 14:8
    De HEER zorgde ervoor dat de farao, de koning van Egypte, onverzettelijk bleef, zodat hij de achtervolging van de Israëlieten inzette, die onbevreesd vertrokken waren.
    Exodus 14:17
    Ik zal de Egyptenaren onverzettelijk maken zodat ze hen achterna gaan, en dan zal ik mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger, zijn wagens en zijn ruiters, ten val te brengen.
    Sirach 16:15
    De Heer heeft de farao halsstarrig gemaakt, opdat deze hem niet zou erkennen, maar de daden van de Heer in heel de wereld bekend zouden worden.
  30. Ezechiël 20:25-26
    Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. Met hun eigen offergaven maakte ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat ik de HEER ben.
  31. Jozua 11:20
    De HEER had namelijk alle volken zo eigenzinnig gemaakt dat ze hoe dan ook oorlog tegen Israël wilden voeren. Daarom hoefden de Israëlieten die volken niet te sparen en konden ze die vernietigen. Ja, zo konden ze die volken uitroeien, zoals de HEER aan Mozes had opgedragen.
  32. 2 Samuël 24:1
    Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: 'Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.'
  33. 2 Samuël 24:11-15
    De HEER richtte zich tot de profeet Gad, de ziener van David: 'Ga naar David en zeg hem: "Dit zegt de HEER: Drie straffen leg ik je voor. Kies er een uit; die zal ik je opleggen."' Toen David de volgende morgen opstond, kwam Gad hem vragen: 'Wat hebt u liever: zeven jaar hongersnood in uw rijk, drie maanden op de vlucht voor een belager die u in het nauw drijft, of drie dagen de pest in uw land? Denk goed na wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.' David antwoordde: 'Ik ben in het nauw gedreven! Liever vallen wij in handen van de HEER, want groot is zijn mededogen, dan dat ik in mensenhanden val.' Diezelfde morgen nog liet de HEER in Israël de pest uitbreken, die duurde tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Berseba vonden zeventigduizend mensen de dood.
  34. 1 Kronieken 21:1
    Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden.
  35. 1 Kronieken 21:7-14
    Het was slecht in Gods ogen dat dit was gebeurd, daarom strafte hij Israël. Hierop zei David tegen God: 'Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.' De HEER sprak tot Gad, de ziener van David: 'Ga naar David en zeg hem: "Dit zegt de HEER: Hier heb je drie straffen. Kies er een uit; die zal ik je opleggen."' Gad ging naar David en zei tegen hem: 'Dit zegt de HEER: Alsjeblieft, wat heb je liever? Drie jaar hongersnood, drie maanden – voortdurend belaagd door het zwaard van je tegenstanders – opgejaagd worden door je vijanden, of drie dagen getroffen worden door het zwaard van de HEER: de pest in het land, een engel van de HEER die in het hele gebied van Israël dood en verderf zaait? Zegt u maar wat voor antwoord ik moet geven aan degene die mij gezonden heeft.' David antwoordde: 'Ik ben in het nauw gedreven! Liever val ik in handen van de HEER, wiens mededogen zeer groot is, dan dat ik in mensenhanden val.' De HEER liet in Israël de pest uitbreken. Zeventigduizend Israëlieten vonden de dood.
  36. 1 Koningen 22:22-23 (herhaald in 2 Kronieken 18:21-22)
    "Ik zal naar hem toe gaan en leugens spreken door de mond van al zijn profeten," zei de geest. "Doe dat," zei de HEER. "Het zal je beslist lukken." Welnu, zo heeft de HEER in de mond van al deze profeten van u leugens gelegd. Hij heeft het juist slecht met u voor.'
  37. 1 Koningen 21:28-29
    De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: 'Heb je gezien hoe Achab zich voor mij vernedert? Omdat hij berouw toont, zal ik het onheil over zijn koningshuis niet tijdens zijn leven voltrekken, maar tijdens het leven van zijn zoon.'
  38. Jesaja 6:9-10:
    Toen zei [de HEER]: 'Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: "Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet." Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.'
  39. Johannes 12:37-40:
    Ondanks de wondertekenen die [Jezus] voor hun ogen gedaan had, geloofden ze niet in hem. Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling, die zei: 'Heer, wie heeft onze boodschap geloofd? Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?' Ze konden niet tot geloof komen, want Jesaja heeft ook gezegd: 'Hij heeft hun ogen verblind en hun hart gesloten, anders zouden zij met hun ogen zien en met hun hart begrijpen, zij zouden zich omkeren en ik zou hen genezen.'
  40. Marcus 4:11-12:
    Hij zei tegen hen: 'Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, "opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen."'
  41. Prediker 3:16-20:
    Niet meer dan de dieren zijn ze [de mensen], want de mensen en de dieren treft hetzelfde lot. Zoals een dier sterft, zo sterft ook een mens; ze delen in dezelfde adem. Dat is hun beider lot. Een mens is niet beter af dan een dier, want alles is leegte. Alles gaat naar dezelfde plaats, alles is uit stof ontstaan en alles keert terug tot stof.
  42. Mattheüs 24:30-34
    Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt, en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister. Dan zal hij zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere. Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is. Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.
    Mattheüs 10:22-23
    Jullie zullen door iedereen worden gehaat omwille van mijn naam; maar wie standhoudt tot het einde zal worden gered. Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende. Ik verzeker jullie: voor je in elke stad van Israël bent geweest, zal de Mensenzoon gekomen zijn.
    Mattheüs 26:64 (Jezus spreekt de profetie uit dat de hogepriester zijn tweede komst zal meemaken)
    Jezus antwoordde: 'U zegt het. Maar ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel.'
    Marcus 13:29-30
    Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het einde nabij is. Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.
    Lucas 9:27
    Ik verzeker jullie dat sommigen die hier aanwezig zijn niet zullen sterven voor ze het koninkrijk van God hebben gezien.
    Lucas 21:32
    Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker niet verdwenen zijn wanneer dit alles gebeurt.
  43. 2 Petrus 3:9
    De Heer is niet traag met het nakomen van zijn belofte, zoals sommigen menen; hij heeft alleen maar geduld met u, omdat hij wil dat iedereen tot inkeer komt en niemand verloren gaat.
  44. Willem Oosterbeek, Gordel van God, Een voettocht langs 's Heeren wegen, 2006, ISBN 90 6611 674 9

 

Wie zijn er online?

We hebben 62 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Ellen JohnsonEllen Johnson, President van de organisatie American Atheists van 1995 tot 2008, activiste voor de rechten van atheïsten en scheiding van kerk en staat in de Verenigde Staten.

Citaat

Faith: not wanting to know what is true.

~ Friedrich Nietsche