Bij de meeste mensen die de titel van dit boek zullen lezen, zal meteen de vraag rijzen: "Dat kan toch niet?". Voor Klaas Hendrikse (1947), dominee te Middelburg en Zierikzee, kan dat echter wel. Deze atheïstische dominee heeft aardig wat stof doen opwaaien in christelijk Nederland. Toch is hij zeker niet de enige. Uit een IKON-onderzoek uit 2006 bleek namelijk dat één op de zes (!) dominees niet meer gelooft in het bestaan van God. Hendrikse is wel de meest prominente dominee die zich expliciet atheïst noemt. Hoe dit kan en hoe hij dit doet, legt hij uit in zijn boek Geloven in een God die niet bestaat, net uitgekomen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.

Hendrikse komt uit een atheïstisch nest en is ook zelf nooit gelovig geweest. Desondanks werd hij wel geraakt en geïntrigeerd door het geloof van anderen en ging hij theologie studeren, waarin zijn atheïsme bevestigd werd. Na zijn studie werd hij predikant bij een vrijzinnige gemeente, wat hij tot vandaag de dag nog steeds is. Zijn onorthodoxe opvattingen hebben nu gestalte gekregen in de vorm van een boek.

Hoe doet hij dat dan, geloven in een God die niet bestaat? Dit lijkt een onmogelijkheid, en dat is het volgens mij ook. Tenzij je een ongebruikelijke betekenis aan de woorden "God" en "geloven" geeft, en dat is ook wat Hendrikse doet. Hier zit meteen een probleem dat ik met Hendrikses opvatting heb: het leidt tot een Babylonische spraakverwarring. Woorden gebruiken op een andere manier dan de meeste andere mensen doen, komt de begrijpelijkheid niet ten goede. Veel aandacht heeft het in ieder geval wel opgeleverd en het hek is van de dam.

Geloven is voor Hendrikse "het vermogen om van een gebeurtenis een ervaring te maken", de "manier waarop iemand omgaat met wat er met hem en om hem heen gebeurt" (p. 91). God is voor hem een gebeurtenis: "God gebeurt". Zijn eigen vertaling van het Hebreeuwse ehjeh asjer ehjeh, het antwoord dat God geeft op de vraag wie Hij is (Ex. 3:13-14), is dan ook "Ga maar, dan ga ik met jullie mee." (p. 52). De God van Hendrikse zit niet in mensen, maar manifesteert zich in het verkeer tussen mensen (p.130), in alledaagse en bijzondere gebeurtenissen. Zonder mensen dus ook geen God, daar is Hendrikse als atheïst heel duidelijk over.

Van theologen die menen dat God 'anders bestaat' of 'niet bestaat, maar is', moet hij niets hebben. "Bellen blazen" noemt hij dat: "Zo blijft de godgeleerde buiten schot, snapt God zelf nauwelijks meer of hij nu wel of niet bestaat, en begrijpen gewonen mensen er al helemaal niets meer van." (p.33). Hier heeft hij zeker een punt. Theologen moeten duidelijk zijn in hun opvattingen en niet proberen te vluchten in vaag taalgebruik waarvan ze zelf waarschijnlijk niet eens weten wat ze er mee bedoelen.

De betekenis die hij verleent aan geloven in God weet hij op vele aansprekende en prachtige manieren te omschrijven in de loop van het boek. Veel van wat hij beschrijft, hebben gelovigen traditioneel aan God toegeschreven. Het zijn ervaringen en gebeurtenissen waar mensen het woord "God" op geplakt hebben. De ervaringen zouden heel goed voor iedereen hetzelfde kunnen zijn, al zijn de woorden daarvoor verschillend: "Of je het woord 'God' gebruikt, hangt af van de inhoud van je rugzak" (p. 116).

Een ander punt waar ik een probleem mee heb, is dat Hendrikse ook meent Bijbelse steun te hebben voor zijn geloof in een God die niet bestaat: "In het boek Exodus is van een bestaande God geen sprake. In het begin wisten ze het dus al: God bestaat niet." (p. 51). Het idee dat God zou bestaan, is volgens hem een heidense uitvinding. Het is mij een raadsel hoe hij dit vol kan houden na het boek Exodus gelezen te hebben. Daarin stuurt God plagen, verricht wonderen, verlangt offers enzovoort. Dat staat in schril contrast met Hendrikses God-die-niet-bestaat. Harry Kuitert geeft in het voorwoord dan ook aan hier niets van te geloven, en ik doe dat evenmin. Het lijkt er op dat Hendrikse zijn eigen opvattingen onterecht projecteert op de Bijbelse god Jahweh. Van Jahweh kun je veel zeggen, maar niet dat Hij in de ogen van de Bijbelschrijver niet bestond.

Ook verwijt hij zijn medeatheïsten dat bij hen van "echte argumenten eigenlijk nauwelijks sprake is" (p. 44) en dat zij een karikaturaal godsbeeld hebben. Hiermee gaat hij toch echt te kort door de bocht. Ik zal dat illustreren met twee prominente voorbeelden die hij ook aanhaalt. Richard Dawkins bestrijdt in zijn God als Misvatting een godsbeeld dat gemeengoed is onder gelovigen (vooral monotheïsten) en geeft daarvoor goede argumenten. Herman Philipse gaat in zijn Atheïstisch Manifest bij zijn argumentaties niet eens uit van een specifiek godsbeeld. Waar zowel Dawkins als Philipse met goede filosofische argumenten komen om hun atheïsme te onderbouwen, is bij Hendrikse nauwelijks sprake van enige onderbouwing van zijn atheïstische positie.

Wat heb je als atheïstische predikant je gemeente te vertellen? Ook hier staat voor Hendrikse niet God centraal, maar de mensen: "Niet bij God beginnen dus, maar bij jou en mij, bij het leven en de ervaringen van gewone mensen en zien of je bij de God van die mensen uit kunt komen." (p. 148-149). Als predikant ziet hij zichzelf gewoon als mens, niet alleen als spreker, maar vooral als luisteraar, gesprekspartner. Zo staat hij ook aan het sterfbed van mensen. Over God spreekt hij als verbeelding. Hij begrijpt ook goed waarom de kerken leeglopen en wil daar op deze manier bescheiden een verandering in brengen. Hij richt zich dan ook voornamelijk tot de kerkverlaters, de twijfelaars en de 'ietsisten', die op zoek zijn naar de gemeenschap van een kerk, maar zonder de traditionele dogma's. De enige manier om de kerk voor uitsterven te behoeden is het roer radicaal om te gooien, en dat is waar Hendrikse voor pleit.

Geloven in een God die niet bestaat is toegankelijk en persoonlijk geschreven, vaak mooi verwoord, maar zit filosofisch niet erg sterk in elkaar. Verwacht van Hendrikse geen godsdienstfilosofie, maar een intrigerend verhaal over hoe je over God kunt spreken als menselijke manifestatie en hoe je daar als predikant invulling aan kunt geven. Ondanks mijn gemengde gevoelens heb ik het boek met een glimlach gesloten.

 

Wie zijn er online?

We hebben 34 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Jeroen KrabbeJeroen Krabbé, acteur, filmregisseur en schilder.

Citaat

Religion is based, I think, primarily and mainly upon fear. It is partly the terror of the unknown and partly, as I have said, the wish to feel that you have a kind of elder brother who will stand by you in all your troubles and disputes. Fear is the basis of the whole thing -- fear of the mysterious, fear of defeat, fear of death. Fear is the parent of cruelty, and therefore it is no wonder if cruelty and religion have gone hand in hand. It is because fear is at the basis of those two things. In this world we can now begin a little to understand things, and a little to master them by help of science, which has forced its way step by step against the Christian religion, against the churches, and against the opposition of all the old precepts. Science can help us to get over this craven fear in which mankind has lived for so many generations. Science can teach us, and I think our own hearts can teach us, no longer to look around for imaginary supports, no longer to invent allies in the sky, but rather to look to our own efforts here below to make this world a better place to live in, instead of the sort of place that the churches in all these centuries have made it.

~ Bertrand Russell

Bij de meeste mensen die de titel van dit boek zullen lezen, zal meteen de vraag rijzen: "Dat kan toch niet?". Voor Klaas Hendrikse (1947), dominee te Middelburg en Zierikzee, kan dat echter wel. Deze atheïstische dominee heeft aardig wat stof doen opwaaien in christelijk Nederland. Toch is hij zeker niet de enige. Uit een IKON-onderzoek uit 2006 bleek namelijk dat één op de zes (!) dominees niet meer gelooft in het bestaan van God. Hendrikse is wel de meest prominente dominee die zich expliciet atheïst noemt. Hoe dit kan en hoe hij dit doet, legt hij uit in zijn boek Geloven in een God die niet bestaat, net uitgekomen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.

Hendrikse komt uit een atheïstisch nest en is ook zelf nooit gelovig geweest. Desondanks werd hij wel geraakt en geïntrigeerd door het geloof van anderen en ging hij theologie studeren, waarin zijn atheïsme bevestigd werd. Na zijn studie werd hij predikant bij een vrijzinnige gemeente, wat hij tot vandaag de dag nog steeds is. Zijn onorthodoxe opvattingen hebben nu gestalte gekregen in de vorm van een boek.

Hoe doet hij dat dan, geloven in een God die niet bestaat? Dit lijkt een onmogelijkheid, en dat is het volgens mij ook. Tenzij je een ongebruikelijke betekenis aan de woorden "God" en "geloven" geeft, en dat is ook wat Hendrikse doet. Hier zit meteen een probleem dat ik met Hendrikses opvatting heb: het leidt tot een Babylonische spraakverwarring. Woorden gebruiken op een andere manier dan de meeste andere mensen doen, komt de begrijpelijkheid niet ten goede. Veel aandacht heeft het in ieder geval wel opgeleverd en het hek is van de dam.

Geloven is voor Hendrikse "het vermogen om van een gebeurtenis een ervaring te maken", de "manier waarop iemand omgaat met wat er met hem en om hem heen gebeurt" (p. 91). God is voor hem een gebeurtenis: "God gebeurt". Zijn eigen vertaling van het Hebreeuwse ehjeh asjer ehjeh, het antwoord dat God geeft op de vraag wie Hij is (Ex. 3:13-14), is dan ook "Ga maar, dan ga ik met jullie mee." (p. 52). De God van Hendrikse zit niet in mensen, maar manifesteert zich in het verkeer tussen mensen (p.130), in alledaagse en bijzondere gebeurtenissen. Zonder mensen dus ook geen God, daar is Hendrikse als atheïst heel duidelijk over.

Van theologen die menen dat God 'anders bestaat' of 'niet bestaat, maar is', moet hij niets hebben. "Bellen blazen" noemt hij dat: "Zo blijft de godgeleerde buiten schot, snapt God zelf nauwelijks meer of hij nu wel of niet bestaat, en begrijpen gewonen mensen er al helemaal niets meer van." (p.33). Hier heeft hij zeker een punt. Theologen moeten duidelijk zijn in hun opvattingen en niet proberen te vluchten in vaag taalgebruik waarvan ze zelf waarschijnlijk niet eens weten wat ze er mee bedoelen.

De betekenis die hij verleent aan geloven in God weet hij op vele aansprekende en prachtige manieren te omschrijven in de loop van het boek. Veel van wat hij beschrijft, hebben gelovigen traditioneel aan God toegeschreven. Het zijn ervaringen en gebeurtenissen waar mensen het woord "God" op geplakt hebben. De ervaringen zouden heel goed voor iedereen hetzelfde kunnen zijn, al zijn de woorden daarvoor verschillend: "Of je het woord 'God' gebruikt, hangt af van de inhoud van je rugzak" (p. 116).

Een ander punt waar ik een probleem mee heb, is dat Hendrikse ook meent Bijbelse steun te hebben voor zijn geloof in een God die niet bestaat: "In het boek Exodus is van een bestaande God geen sprake. In het begin wisten ze het dus al: God bestaat niet." (p. 51). Het idee dat God zou bestaan, is volgens hem een heidense uitvinding. Het is mij een raadsel hoe hij dit vol kan houden na het boek Exodus gelezen te hebben. Daarin stuurt God plagen, verricht wonderen, verlangt offers enzovoort. Dat staat in schril contrast met Hendrikses God-die-niet-bestaat. Harry Kuitert geeft in het voorwoord dan ook aan hier niets van te geloven, en ik doe dat evenmin. Het lijkt er op dat Hendrikse zijn eigen opvattingen onterecht projecteert op de Bijbelse god Jahweh. Van Jahweh kun je veel zeggen, maar niet dat Hij in de ogen van de Bijbelschrijver niet bestond.

Ook verwijt hij zijn medeatheïsten dat bij hen van "echte argumenten eigenlijk nauwelijks sprake is" (p. 44) en dat zij een karikaturaal godsbeeld hebben. Hiermee gaat hij toch echt te kort door de bocht. Ik zal dat illustreren met twee prominente voorbeelden die hij ook aanhaalt. Richard Dawkins bestrijdt in zijn God als Misvatting een godsbeeld dat gemeengoed is onder gelovigen (vooral monotheïsten) en geeft daarvoor goede argumenten. Herman Philipse gaat in zijn Atheïstisch Manifest bij zijn argumentaties niet eens uit van een specifiek godsbeeld. Waar zowel Dawkins als Philipse met goede filosofische argumenten komen om hun atheïsme te onderbouwen, is bij Hendrikse nauwelijks sprake van enige onderbouwing van zijn atheïstische positie.

Wat heb je als atheïstische predikant je gemeente te vertellen? Ook hier staat voor Hendrikse niet God centraal, maar de mensen: "Niet bij God beginnen dus, maar bij jou en mij, bij het leven en de ervaringen van gewone mensen en zien of je bij de God van die mensen uit kunt komen." (p. 148-149). Als predikant ziet hij zichzelf gewoon als mens, niet alleen als spreker, maar vooral als luisteraar, gesprekspartner. Zo staat hij ook aan het sterfbed van mensen. Over God spreekt hij als verbeelding. Hij begrijpt ook goed waarom de kerken leeglopen en wil daar op deze manier bescheiden een verandering in brengen. Hij richt zich dan ook voornamelijk tot de kerkverlaters, de twijfelaars en de 'ietsisten', die op zoek zijn naar de gemeenschap van een kerk, maar zonder de traditionele dogma's. De enige manier om de kerk voor uitsterven te behoeden is het roer radicaal om te gooien, en dat is waar Hendrikse voor pleit.

Geloven in een God die niet bestaat is toegankelijk en persoonlijk geschreven, vaak mooi verwoord, maar zit filosofisch niet erg sterk in elkaar. Verwacht van Hendrikse geen godsdienstfilosofie, maar een intrigerend verhaal over hoe je over God kunt spreken als menselijke manifestatie en hoe je daar als predikant invulling aan kunt geven. Ondanks mijn gemengde gevoelens heb ik het boek met een glimlach gesloten.

Wie zijn er online?

We hebben 34 gasten en geen leden online

Geef je mening

Welke positie over het bestaan van god(en) onderschrijft u?

Bekende atheïsten

Jeroen KrabbeJeroen Krabbé, acteur, filmregisseur en schilder.

Citaat

Religion is based, I think, primarily and mainly upon fear. It is partly the terror of the unknown and partly, as I have said, the wish to feel that you have a kind of elder brother who will stand by you in all your troubles and disputes. Fear is the basis of the whole thing -- fear of the mysterious, fear of defeat, fear of death. Fear is the parent of cruelty, and therefore it is no wonder if cruelty and religion have gone hand in hand. It is because fear is at the basis of those two things. In this world we can now begin a little to understand things, and a little to master them by help of science, which has forced its way step by step against the Christian religion, against the churches, and against the opposition of all the old precepts. Science can help us to get over this craven fear in which mankind has lived for so many generations. Science can teach us, and I think our own hearts can teach us, no longer to look around for imaginary supports, no longer to invent allies in the sky, but rather to look to our own efforts here below to make this world a better place to live in, instead of the sort of place that the churches in all these centuries have made it.

~ Bertrand Russell